Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO6058

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-03-2004
Datum publicatie
24-03-2004
Zaaknummer
200302440/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 september 2002 heeft verweerder krachtens de artikelen 83 en 100a van de Wet geluidhinder ten behoeve van 290 woningen de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting vastgesteld vanwege de A73-zuid, wegvak F, N68, Koninginnelaan en St. Wirosingel te Roermond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 100697
OGR-Updates.nl 100718
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200302440/1.

Datum uitspraak: 24 maart 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te Roermond,

en

het college van gedeputeerde staten van Limburg,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 september 2002 heeft verweerder krachtens de artikelen 83 en 100a van de Wet geluidhinder ten behoeve van 290 woningen de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting vastgesteld vanwege de A73-zuid, wegvak F, N68, Koninginnelaan en St. Wirosingel te Roermond.

Bij besluit van 11 maart 2003, verzonden op 13 maart 2003, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 15 april 2003, bij de Raad van State ingekomen op 16 april 2003, beroep ingesteld.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 11 september 2003. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 januari 2003, waar verweerder, vertegenwoordigd door N.M.J. Janssen, P.A.P.M. Verhoeven-Jaspers en ing. R.J.M. Pellegrom, ambtenaren van de provincie,

is verschenen.

Voorts zijn ter zitting gehoord het college van burgemeester en wethouders van Roermond, vertegenwoordigd door R.M.C.G. Ververgaert, technisch akoestisch medewerker van de gemeente, en de Minister van Verkeer en Waterstaat, vertegenwoordigd door mr. C.W. Buurman en G.C.F.P.M. Stevens, medewerkers van het Directoraat-Generaal Rijkswaterstaat, Directie Limburg.

2. Overwegingen

2.1. Bij het thans ter beoordeling staande besluit van 11 maart 2003 heeft verweerder de bezwaren van appellanten tegen de vaststelling van hogere geluidgrenswaarden voor hun woningen ongegrond verklaard. Deze vaststelling houdt onder meer verband met de aanleg van de A73-Zuid, wegvak F en de reconstructie van de N68. Het landgoed Tegelarije, waarop zich in het zogenoemde kasteel de woningen van appellanten bevinden, zal worden omgeven door deze wegen.

2.2. Appellanten zijn van mening dat verweerder zich onvoldoende heeft ingespannen om de geluidbelasting van hun landgoed te beperken. De aanleg van hogere geluidschermen dan wel een zodanige verplaatsing van de tracés dat deze verder van het landgoed komen te liggen, bieden betere waarborgen voor de instandhouding van de aanwezige natuurwetenschappelijke, landschappelijke en cultuurhistorische waarden ervan. Appellanten betogen verder dat de bebouwing op het landgoed niet ligt in stedelijk gebied, zoals wordt opgemerkt in het aan het bestreden besluit ten grondslag liggende advies van de Awb-commissie, maar in het buitengebied van Roermond. Zij zijn bevreesd dat de verkeerde typering van de omgeving nadelige gevolgen heeft gehad voor de toelaatbaar geachte geluidbelasting van hun woningen.

2.2.1. Volgens verweerder is gebleken dat toepassing van maatregelen om de geluidbelasting van de betrokken gevels te reduceren tot de voorkeurgrenswaarde van 50 dB(A) onvoldoende doeltreffend is, dan wel overwegende bezwaren ontmoet van onder meer verkeerskundige, landschappelijke en financiële aard. In aanmerking genomen dat de komst van de A73 en de reconstructie van de N68 een gegeven zijn, acht verweerder de vastgestelde toelaatbare geluidbelasting van 51 dB(A) ten gevolge van Rijksweg A73-Zuid, wegvak F, en van 54 dB(A) ten gevolge van de reconstructie van de N68 deugdelijk onderbouwd. Verder is bij het vaststellen van de grenswaarden ervan uitgegaan dat de desbetreffende bebouwing zich in het buitenstedelijk gebied bevindt.

2.2.2. Ingevolge artikel 82, eerste lid, van de Wet geluidhinder (hierna: de wet) is behoudens het in de artikelen 82a, 83 en 100a bepaalde, de voor woningen binnen een zone ten hoogste toelaatbare geluidbelasting van de gevel, vanwege de weg 50 dB(A).

Ingevolge artikel 83, eerste lid, van de wet kunnen gedeputeerde staten – voorzover hier van belang – in bij algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen en volgens daarbij te stellen regels, op verzoek van degenen die daartoe bij de maatregel zijn aangewezen, voor de ter plaatse ten hoogste toelaatbare geluidbelasting als bedoeld in artikel 82, eerste lid, een hogere dan de in dat artikel genoemde waarde vaststellen, met dien verstande dat deze waarde voor woningen in buitenstedelijk gebied 55 dB(A) en voor woningen in stedelijk gebied 60 dB(A) niet te boven mag gaan.

Ingevolge artikel 100, eerste lid, van de wet geldt, behoudens het tweede lid en artikel 100a, als ten hoogste toelaatbare geluidbelasting vanwege een te reconstrueren weg van de gevel van woningen binnen een zone de vóór de reconstructie ter plaatse heersende geluidbelasting, met dien verstande dat een geluidbelasting waarvan de waarde 50 dB(A) niet te boven gaat in elk geval als toelaatbaar aangemerkt blijft.

Ingevolge artikel 100a, eerste lid, aanhef en onder a, sub 2, van de wet kunnen gedeputeerde staten in bij algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen en volgens daarbij te stellen regels, op verzoek van degenen die daartoe bij de maatregel zijn aangewezen, voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting van de gevel van woningen een hogere waarde dan de ingevolge artikel 100 geldende vaststellen, met dien verstande dat de verhoging 5 dB(A) niet te boven mag gaan, behoudens in gevallen waarin de wegbeheerder heeft verklaard dat hij financiële middelen ter beschikking stelt uiterlijk voor afloop van de reconstructie ten behoeve van de toepassing van artikel 90 of artikel 111, tweede of derde lid, met betrekking tot woningen die door de reconstructie een hogere geluidbelasting ondervinden.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Besluit grenswaarden binnen zones langs wegen (hierna: het Besluit) kunnen gedeputeerde staten toepassing geven aan artikel 83 van de wet in die gevallen waarin toepassing van maatregelen, gericht op het terugbrengen van de te verwachten geluidbelasting, vanwege de weg, van de uitwendige scheidingsconstructie van de betrokken woningen tot 50 dB(A) onvoldoende doeltreffend zal zijn, dan wel overwegende bezwaren ontmoet van stedenbouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke of financiële aard.

Ingevolge artikel 2, vierde lid, van het Besluit kunnen gedeputeerde staten toepassing geven aan artikel 100a, eerste lid, van de wet, in die gevallen waarin de toepassing van maatregelen, gericht op het terugbrengen van de te verwachten geluidbelasting vanwege de weg, van de uitwendige scheidingsconstructie van de betrokken woningen tot de voordien geldende ten hoogste toelaatbare geluidbelasting, onvoldoende doeltreffend zal zijn, dan wel overwegende bezwaren ontmoet van stedenbouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke of financiële aard.

2.2.3. De Afdeling stelt vast dat verweerder bij de vaststelling van de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting toepassing heeft gegeven aan de artikelen 83 en 100a van de Wet geluidhinder. De procedures als bedoeld in deze artikelen zijn niet het aangewezen kader voor de door appellanten voorgestane beoordeling van alternatieve tracés. Deze beoordeling dient plaats te vinden in het kader van de besluitvorming inzake het bestemmingsplan. Deze bezwaren kunnen niet voor beoordeling in aanmerking komen in het kader van het bestreden besluit.

De Afdeling stelt vast dat de woningen van appellanten niet in stedelijk gebied zijn gelegen. Ten onrechte is dit in het advies van de Awb-commissie opgenomen. Verweerder is daarvan ook niet uitgegaan. Voor de woningen van appellanten zijn waarden van 51 en 54 dB(A) vastgesteld. Verweerder is daarmee gebleven binnen de ruimte die de artikelen 83 en 100a bieden voor woningen in buitenstedelijk gebied.

Verweerder heeft - zoals overwogen - bij besluit van 17 september 2002 onder meer bepaald dat de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting van de gevel van de woningen van appellanten [locatie] respectievelijk [locatie] te Roermond, ten gevolge van de Rijksweg A73-Zuid, wegvak F, 51 dB(A) en ten gevolge van de reconstructie van de N68 54 db(A) mag bedragen. Uit de stukken blijkt dat verweerder de geluidbelasting van zowel de A73-Zuid, wegvak F, als van de N68 heeft onderzocht bij toepassing van verschillende varianten van geluidwerende voorzieningen, waarbij de hoogte van de geluidschermen varieerde van 1 tot 5 meter. Op basis van een aantal criteria, opgenomen in het rapport “Integrale afweging geluidwerende voorzieningen” van mei 2002, dat is opgesteld door Projectbureau Rijksweg 73-Zuid/Rijksweg 74 van Rijkswaterstaat, is voor zowel de A73-Zuid, wegvak F, als voor de N68 een pakket van maatregelen gekozen, dat de basis vormt voor de vastgestelde ten hoogste toelaatbare geluidbelasting.

De gehanteerde criteria betreffen de doeltreffendheid, alsmede de landschappelijke, verkeerskundige en financiële aspecten verbonden aan de maatregelen. Uit de toelichting bij het rapport blijkt dat onder meer als uitgangspunt voor te treffen maatregelen is genomen dat geluidwerende voorzieningen niet als doelmatig worden aangemerkt, indien op plaatsen waar die voorzieningen moeten worden getroffen de voorkeursgrenswaarde van de geluidbelasting van 50 dB(A) met minder dan 2,4 dB(A) wordt overschreden. Vanuit kostenoogpunt is als uitgangspunt geformuleerd, dat de kosten van die voorzieningen gemiddeld niet meer mogen bedragen dan

€ 57.176,00 per woning.

Het standpunt van verweerder dat een voorziening niet doelmatig is te achten, wanneer de voorkeursgrenswaarde met minder dan 2,4 dB(A) wordt overschreden, komt de Afdeling niet onredelijk voor. Het door verweerder gehanteerde normbedrag van € 57.176,00 heeft verweerder ontleend aan de Uitvoeringsregeling sanering verkeerslawaai. Ook dit komt de Afdeling niet onredelijk voor. Hieruit volgt naar het oordeel van de Afdeling, dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat er bezwaren bestaan tegen het realiseren van andere dan de gekozen maatregelen.

Deze beroepsgronden van appellanten treffen geen doel.

2.3. Appellanten vrezen dat de binnenplaats van het zogenoemde kasteel als klankkast zal gaan werken waardoor de geluidoverlast groter zal zijn dan berekend, alsmede dat niet aan een binnenwaarde van 35 dB(A) kan worden voldaan.

Volgens verweerder wordt de binnenplaats niet rechtstreeks door één van de wegen aangestraald, zodat het door appellanten gevreesde klankkast-effect niet zal optreden. Verder is het kasteel in de jaren tachtig van geluidisolatie voorzien vanwege overlast ten gevolge van een in de nabijheid gelegen militair vliegveld. Verweerder acht in dat verband de mogelijkheid dat een binnenwaarde van 35 dB(A) niet zal worden gehaald dan ook gering.

De Afdeling is gezien de vastgestelde hogere waarden van 51 respectievelijk 54 dB(A), gelet op het feit dat ter zitting is gebleken dat de overlast van het militaire vliegveld is afgenomen, met verweerder van oordeel dat, nu geen klankkasteffect zal optreden, een binnenwaarde van 35 dB(A) niet zal worden overschreden.

Deze beroepsgrond van appellanten treft geen doel.

2.4. Appellanten stellen dat de uiteindelijke gecumuleerde geluidbelasting vanwege de A73-zuid, wegvak F en de N68 onduidelijk is.

Verweerder heeft ter zitting verwezen naar de bij het verzoek om het vaststellen van hogere grenswaarden gevoegde akoestische rapporten. Mede op grond van deze rapporten is verweerder van mening dat de gecumuleerde geluidbelasting aanvaardbaar is te achten.

Op grond van artikel 1a van het Besluit grenswaarden binnen zones langs wegen kan verweerder indien artikel 157 van de Wet geluidhinder van toepassing is, slechts toepassing geven aan de artikelen 2, 5, 7 en 8 van het Besluit voor zover de gecumuleerde geluidsbelasting na de correctie op grond van artikel 157, derde lid, van de wet niet leidt tot een naar zijn oordeel onaanvaardbare geluidsbelasting. De Afdeling stelt terzake vast dat in de akoestische rapporten berekeningen zijn opgenomen met betrekking tot de te verwachten gecumuleerde geluidbelasting. Uit deze berekeningen kan worden opgemaakt dat de gecumuleerde geluidbelasting onder de 60 MKM blijft, waarmee het landgoed Tegelarije valt binnen de MKM-categorie 55-60 van de methode Miedema, welke categorie de kwalificatie “matig” heeft. De Afdeling ziet daarom geen grond de beoordeling van de geluidbelasting door verweerder onjuist te achten.

Deze beroepsgrond van appellanten treft geen doel.

2.5. Appellanten wijzen er tenslotte op dat zich op het landgoed naast de woonbebouwing verblijfplaatsen van dieren bevinden die eveneens voor bescherming tegen geluidhinder in aanmerking dienen te komen.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat in de Wet geluidhinder niet is voorzien in de bescherming van dieren.

De Afdeling deelt de opvatting van verweerder dat de Wet geluidhinder slechts voorziet in de bescherming tegen geluidhinder van woningen en met name in de wet genoemde geluidgevoelige gebouwen en terreinen, waarvan de verblijfplaatsen van dieren geen deel uit maken.

Deze beroepsgrond van appellanten treft geen doel.

2.6. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep ongegrond is.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. E.M.H. Hirsch Ballin, Voorzitter, en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens en drs. H. Borstlap, Leden, in tegenwoordigheid van mr. E.C. Brugman, ambtenaar van Staat.

w.g. Hirsch Ballin w.g. Brugman

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2004

205.