Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO5784

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-03-2004
Datum publicatie
17-03-2004
Zaaknummer
200400538/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 november 2003 heeft verweerder krachtens artikel 5, eerste lid, van het Besluit detailhandel en ambachtsbedrijven milieubeheer (hierna: het Besluit) een nadere eis gesteld voor de inrichting van verzoeker - een supermarkt - op het perceel [locatie sub 1] te [plaats]. Dit besluit is op 11 december 2003 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200400538/2.

Datum uitspraak: 11 maart 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Woensdrecht,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 november 2003 heeft verweerder krachtens artikel 5, eerste lid, van het Besluit detailhandel en ambachtsbedrijven milieubeheer (hierna: het Besluit) een nadere eis gesteld voor de inrichting van verzoeker - een supermarkt - op het perceel [locatie sub 1] te [plaats]. Dit besluit is op 11 december 2003 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 18 januari 2004, bij de Raad van State ingekomen op 20 januari 2004, beroep ingesteld.

Bij deze brief heeft verzoeker de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 19 februari 2004, waar verzoeker in persoon en verweerder, vertegenwoordigd door mr. D.M.A.A. Oostvogels, gemachtigde, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Ingevolge voorschrift 1.1.1, aanhef en onder a, van het Besluit voor zover relevant, geldt dat de waarden voor het equivalente geluidniveau (LAeq), veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten, op de gevel van woningen van derden niet meer mogen bedragen dan 50, 45 en 40 dB(A) gedurende respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode.

Ingevolge voorschrift 4.1.1, aanhef en onder a, van Bijlage 2 bij het Besluit, kan het bevoegd gezag in de gevallen waarin de in voorschrift 1.1.1, 1.1.3 en 1.1.5 van die bijlage opgenomen waarden voor equivalente geluidniveaus en piekniveaus naar het oordeel van het bevoegd gezag te hoog zijn, bij nadere eis waarden opleggen die lager zijn dan de in voorschrift 1.1.1, 1.1.3, en 1.1.5 opgenomen waarden.

In nota van toelichting van het Besluit is uitdrukkelijk vermeld dat er in individuele gevallen van die bevoegdheid gebruik kan worden gemaakt indien het heersende referentieniveau van het achtergrondgeluid daartoe aanleiding geeft. Bij het in overweging nemen van een lagere geluidgrenswaarde zal aldus de nota van toelichting het bevoegd gezag rekening dienen te houden met de rechtszekerheid van gevestigde bedrijven. Alternatieve maatregelen kunnen in de afweging worden betrokken waarbij zonodig aandacht moet worden geschonken aan een evenredige lastenverdeling. Van belang is voorts zo staat in de nota van toelichting dat bezien kan worden in hoeverre eventuele maatregelen gefaseerd kunnen worden uitgevoerd.

2.3. Ingevolge de bij het bestreden besluit gestelde nadere eis mag het equivalente geluidniveau vanwege de inrichting ter plaatse van de gevels van woningen van derden niet meer bedragen dan 35 dB(A) tussen 21.00 uur en 23.00 uur en 30 dB(A) tussen 23.00 uur en 07.00 uur.

2.3.1. Verzoeker betoogt dat de nadere eis niet naleefbaar is.

2.3.2. Uit het “Meetverslag Bepaling van de geluidimmissie vanwege de koelunits van de inrichting “Albert Heijn” aan de [locatie sub 1] te [plaats]” van 30 juli 2003 (hierna: het meetverslag) blijkt dat het referentieniveau van het omgevingsgeluid (L95-niveau) ter hoogte van het adres [locatie sub 2] 14 30 dB(A) in de nachtperiode bedraagt. Verder blijkt uit het meetverslag dat de equivalente geluidbelasting als gevolg van het inwerking zijn van de inrichting op dit adres 38 en 37 dB(A) in de nachtperiode bedraagt en dat wanneer de koelinstallatie gedurende extreem warme perioden vol continu in werking is, deze waarden met 3 dB(A) dienen te worden verhoogd.

Het referentieniveau in de avondperiode is door verweerder niet afzonderlijk gemeten. Gezien het verschil tussen de bij de nadere eis gestelde geluidgrenswaarde van 30 dB(A) gedurende de nachtperiode en de gemeten immissieniveaus van 38 en 37 dB(A) in deze periode, die in extreem warme perioden 41 en 40 dB(A) bedragen, acht de Voorzitter het niet waarschijnlijk dat de bij de nadere eis gestelde geluidgrenswaarden kunnen worden nageleefd. Verweerder heeft dit niet nagegaan. Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat hij er van is uitgegaan dat met de maatregelen die verzoeker inmiddels zelf heeft getroffen kan worden voldaan aan de gestelde geluidgrenswaarden. Verzoeker heeft echter betoogd dat deze maatregelen voornamelijk zien op het tonale karakter van het geluid. Mede nu het om een forse verlaging gaat, had verweerder onderzoek moeten verrichten teneinde na te gaan in hoeverre de in de nadere eis gestelde geluidgrenswaarden naleefbaar zijn en zo niet, of alternatieve maatregelen hier soelaas zouden kunnen bieden. Nu verweerder dit niet heeft gedaan is het bestreden besluit in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht, waarin is bepaald dat het bestuursorgaan bij de voorbereiding de nodige kennis vergaart omtrent de relevante feiten.

2.4. Verzoeker heeft ter zitting betoogt dat na het inwerking treden van het bestreden besluit bij klachten uit de omgeving de nadere eis door verweerder kan worden gehandhaafd. Gelet hierop en gezien het vorenstaande is de Voorzitter van oordeel dat sprake is van onverwijlde spoed die aanleiding geeft tot het treffen van de na te melden voorlopige voorziening.

2.5. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Woensdrecht van 25 november 2003;

II. gelast dat de gemeente Woensdrecht aan verzoeker het door hem voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht (€ 116,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. De Vink

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2004

154-396.