Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO5762

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-03-2004
Datum publicatie
17-03-2004
Zaaknummer
200306732/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 juni 2001 heeft de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: de Minister) aan appellant een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de Wet veiligheidsonderzoeken, geweigerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200306732/1.

Datum uitspraak: 17 maart 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Amsterdam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 27 augustus 2003 in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 juni 2001 heeft de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: de Minister) aan appellant een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de Wet veiligheidsonderzoeken, geweigerd.

Bij besluit van 12 februari 2002 heeft de Minister het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 27 augustus 2003, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 oktober 2003, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 7 november 2003. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 8 december 2003 heeft de Minister van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 maart 2004, waar appellant in persoon, en de Minister, vertegenwoordigd door mr. J.L.M. Neijndorff, ambtenaar bij het departement, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Vaststaat dat appellant is veroordeeld wegens het opzettelijk gebruik maken van een vervalst geschrift als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst. Nu uit artikel 1, tweede lid, aanhef en onder e, van de Beleidsregel vertrouwensfuncties en veiligheidsonderzoeken op de burgerluchthavens volgt dat bij de beoordeling of aan appellant een verklaring van geen bezwaar kan worden afgegeven in het bijzonder moet worden gelet op gegevens betreffende valsheid in geschriften, is de rechtbank op goede gronden tot het juiste oordeel gekomen dat niet kan worden staande gehouden dat de Minister bij afweging van alle betrokken belangen niet in redelijkheid tot weigering van de gevraagde verklaring heeft kunnen komen. Het betoog van appellant dat hij voor voornoemd misdrijf slechts voorwaardelijk is veroordeeld, maakt dit niet anders. Hetgeen appellant in zijn hoger-beroepschrift overigens heeft aangevoerd, geeft ook geen aanleiding voor een ander standpunt.

2.2. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink w.g. Zwemstra

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2004

91-426.