Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO5759

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-03-2004
Datum publicatie
17-03-2004
Zaaknummer
200306177/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 juli 2003, kenmerk V34/02, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan Hit's Socks een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een inrichting voor het bewerken, verwerken en opslaan van textiel gelegen aan de Brugweg 9-11 te Kruisland, kadastraal bekend gemeente Kruisland, sectie K, nummer 504. Dit besluit is op 4 augustus 2003 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2004/2044
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200306177/1.

Datum uitspraak: 17 maart 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten]., wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Steenbergen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 juli 2003, kenmerk V34/02, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan Hit's Socks een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een inrichting voor het bewerken, verwerken en opslaan van textiel gelegen aan de Brugweg 9-11 te Kruisland, kadastraal bekend gemeente Kruisland, sectie K, nummer 504. Dit besluit is op 4 augustus 2003 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 12 september 2003, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 14 oktober 2003.

Bij brief van 24 november 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 maart 2004, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. G.J.M. de Jager, advocaat te Tilburg, en verweerder, vertegenwoordigd door C. Franken, ambtenaar van de gemeente, en R. Huizinga, gemachtigde, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Appellanten hebben ter zitting de beroepsgrond inzake de door vergunninghouder in het aanvraagformulier aangegeven toekomstige uitbreiding van de inrichting met extra breimachines ingetrokken.

2.2. Bij het bestreden besluit is vergunning verleend voor het bewerken, verwerken en opslaan van textiel. Eerder is op 26 maart 1996 een revisievergunning ingevolge de Wet milieubeheer verleend voor eveneens het bewerken, verwerken en opslaan van textiel. Ten opzichte van deze vergunning is bij het bestreden besluit de inrichting uitgebreid met 23 breimachines in het atelier, een compressor en een afwerkhal inclusief magazijn, kantoor en sanitaire voorzieningen. Voorts zijn de openingstijden verruimd.

2.3. De Afdeling begrijpt het beroep van appellanten ten aanzien van de tekening, de aan- en afvoerbewegingen en het akoestisch onderzoek aldus dat zij van mening zijn dat verweerder de aanvraag niet in behandeling had kunnen nemen, nu de aanvraag niet juist dan wel onduidelijk en onvolledig is. Zij voeren hiertoe aan dat uit de tekening niet kan worden afgeleid wat de uitbreiding is ten opzichte van de onderliggende revisievergunning. Voorts menen zij dat er, anders dan in de aanvraag is vermeld, meerdere malen per dag aan- en afvoerbewegingen plaatsvinden. Daarnaast ontbreekt volgens appellanten ten onrechte een akoestisch onderzoek bij de aanvraag.

2.3.1. De Afdeling overweegt dat de vergunningaanvraag onder andere bestaat uit een aanvraagformulier, een nadere toelichting op dit formulier en een tekening. Blijkens deze stukken behoort bij de inrichting een bedrijfshal met een atelier, waar in totaal 40 breimachines staan, en een afwerkhal inclusief magazijn, kantoor en sanitaire voorzieningen. Verder vinden er blijkens de aanvraag 10 vrachtwagenbewegingen per week plaats. Ook zijn in de aanvraag en de tekening de in de inrichting aanwezige machines en voorzieningen vermeld. Uit de aanvraag kan voorts worden afgeleid welke activiteiten en voorzieningen geluid produceren. In de aanvraag is vermeld dat nadere akoestische voorzieningen niet nodig zijn. Gelet op het vorenstaande leidt hetgeen appellanten hebben aangevoerd niet tot het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aanvraag voldoende informatie bevat voor een goede beoordeling van de gevolgen voor het milieu.

De in de aanvraag, en de daarbij behorende bescheiden, vermelde activiteiten maken blijkens het dictum van het bestreden besluit deel uit van de vergunning. Activiteiten die niet door vergunninghouder zijn aangevraagd, zoals meer dan 10 vrachtwagenbewegingen per week, zijn derhalve niet vergund. Voorzover het beroep van appellanten voortkomt uit de vrees dat deze, en mogelijk andere, niet vergunde activiteiten toch zullen plaatsvinden, overweegt de Afdeling dat deze beroepsgrond geen betrekking heeft op de rechtmatigheid van de ter beoordeling staande vergunning en om die reden niet kan slagen. De Algemene wet bestuursrecht voorziet overigens in de mogelijkheid tot het treffen van maatregelen die strekken tot het afdwingen van de naleving van de voorschriften die aan de vergunning zijn verbonden.

2.4. Appellanten voeren aan dat verweerder ten onrechte een revisievergunning heeft verleend.

2.4.1. Uit het systeem van de Wet milieubeheer volgt dat verweerder dient te beslissen op de aanvraag zoals deze is ingediend. Uit de stukken blijkt dat een revisievergunning is aangevraagd en ook is verleend. Deze beroepsgrond faalt derhalve.

Voorzover appellanten in dit verband aanvoeren dat door de gevraagde uitbreiding een andere inrichting ontstaat die aangemerkt dient te worden als nieuwvestiging, overweegt de Afdeling allereerst dat artikel 8.4 van de Wet milieubeheer noch de systematiek van de Wet milieubeheer ertoe strekt dat voor activiteiten van geheel andere aard dan die waarop de onderliggende vergunning betrekking heeft, geen revisievergunning kan worden verleend. Het verlenen van een revisievergunning is mogelijk, ook al zijn de milieugevolgen van een andere aard of intensiteit dan de milieugevolgen die op grond van een onderliggende vergunning waren toegestaan. De Afdeling overweegt voorts dat blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting in het onderhavige geval niet gesproken kan worden van een inrichting van geheel andere aard dan de inrichting waarop de onderliggende vergunning uit 1996 betrekking heeft. Zowel de vergunning uit 1996 als de thans bij het bestreden besluit verleende vergunning zien immers op een inrichting bestemd voor de bewerking, verwerking en opslag van textiel. Dat de inrichting blijkens de stukken thans wordt uitgebreid met extra breimachines, een compressor en een afwerkhal plus magazijn, kantoor en sanitaire voorzieningen, doet daaraan niet af. Deze beroepsgrond treft geen doel.

2.5. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

Ingevolge artikel 8.4, derde lid, van de Wet milieubeheer kan het bevoegd gezag bij de verlening van een revisievergunning de rechten die de vergunninghouder aan de eerder verleende vergunning ontleende, niet wijzigen anders dan mogelijk zou zijn met toepassing van afdeling 8.1.2 van de wet.

2.6. Appellanten betogen dat de uitgave “Bedrijven en milieuzonering” van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: de uitgave) dient te worden betrokken bij de onderhavige beoordeling van de aanvraag. Zij menen dat op grond van de in de uitgave opgenomen afstanden de aangevraagde activiteiten niet kunnen worden vergund, nu de afstand van hun woning tot aan het onderhavige bedrijf circa 5 meter bedraagt en er sprake is van een overbelaste situatie.

2.6.1. Deze beroepsgrond heeft geen betrekking op het belang van de bescherming van het milieu in de zin van artikel 8.10 van de Wet milieubeheer en kan reeds om die reden niet slagen. De Afdeling overweegt dat voornoemde uitgave is bedoeld als een hulpmiddel bij de categorisering van bedrijven ten behoeve van bestemmingsplannen en milieubeleidsplannen. De uitgave bevat echter – zoals in de uitgave zelf is aangegeven – geen normen voor de beoordeling van een aanvraag voor een vergunning krachtens de Wet milieubeheer voor een afzonderlijk bedrijf. In dat verband dient een individuele beoordeling van de milieugevolgen van de inrichting plaats te vinden. Een beroep op de in de uitgave opgenomen afstanden is dan ook niet mogelijk. Dit bezwaar faalt.

2.7. Appellanten stellen geluidoverlast te ondervinden van de onderhavige inrichting. Zij voeren hiertoe aan dat er sprake is van een aanzienlijke uitbreiding van de inrichting. Daarnaast voeren appellanten aan dat hun woning en woningen van derden op zeer korte afstand van de inrichting liggen. Gelet hierop achten appellanten het verlenen van de onderhavige vergunning op grond van bestaande rechten niet juist. Voorts menen zij dat de normen voor het maximale geluidniveau te hoog zijn. Verder ondervinden zij hinder door de aan- en afvoerbewegingen van vrachtwagens en auto’s en betwijfelen zij of aan de gestelde geluidgrenswaarden kan worden voldaan.

2.7.1. Verweerder heeft de hem in het kader van de artikelen 8.10 en 8.11 van de Wet milieubeheer toekomende beoordelingsvrijheid met betrekking tot de van de inrichting te duchten directe geluidhinder ingevuld door toepassing van hoofdstuk 3, paragraaf 3.2 (wat betreft de maximale geluidniveaus) en hoofdstuk 4 van de Handreiking Industrielawaai en vergunningverlening (hierna: de Handreiking). Verweerder heeft ter zitting aangevoerd dat hij, gelet op het vorenstaande, dan ook niet zonder meer is uitgegaan van bestaande rechten.

Ter voorkoming dan wel beperking van geluidhinder heeft verweerder onder andere de volgende voorschriften aan de vergunning verbonden.

In voorschrift 3.1 zijn voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau grenswaarden gesteld van 45 dB(A), 40 dB(A) en 35 dB(A) voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode.

Uit voorschrift 3.2 volgt dat voor het piekgeluidniveau grenswaarden zijn gesteld van respectievelijk 65 dB(A), 60 dB(A) en 55 dB(A) in de dag-, avond- en nachtperiode.

2.7.2. Niet in geschil is dat de in voorschrift 3.1 opgenomen geluidnormen toereikend zijn.

Wat betreft de hoogte van de gestelde piekgeluidgrenswaarden overweegt de Afdeling dat de in voorschrift 3.2 opgenomen grenswaarden voor het piekgeluidimmissieniveau de in de Handreiking aanbevolen maximale waarden van 70, 65 en 60 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode niet overschrijden. Gelet hierop heeft verweerder zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de in voornoemd voorschrift neergelegde grenswaarden voor het piekgeluidniveau toereikend zijn om geluidhinder te voorkomen dan wel te beperken.

2.7.3. Ten aanzien van de naleefbaarheid van de geluidvoorschriften overweegt de Afdeling dat uit de stukken, waaronder de aanvraag die onderdeel uitmaakt van het bestreden besluit, volgt dat het in de inrichting geproduceerde geluid hoofdzakelijk afkomstig is van de binnen in het atelier en de afwerkhal aanwezige machines, met name de 40 breimachines en de compressoren. Uit de aanvraag blijkt voorts dat tussen 07.00 en 19.00 uur 10 aan- en afvoerbewegingen met vrachtwagens per week plaatshebben. Ter zitting is gebleken dat het aantal vervoersbewegingen met personenauto’s zich beperkt tot de vervoersbewegingen van enkele binnen de inrichting werkzame personen. Verweerder heeft ter zitting gesteld dat deze vervoersbewegingen slechts marginaal bijdragen aan de totale van de inrichting afkomstige geluidhinder. Voorts heeft verweerder aan de vergunning voorschriften verbonden die moeten garanderen dat geluidhinder naar de omgeving toe in voldoende mate wordt beperkt. In voorschrift 3.6 is bepaald dat deuren, luiken en ramen in de buitengevels en in de afdekking van de inrichting tijdens het in werking zijn van de inrichting gesloten worden gehouden. Deuren mogen alleen worden geopend voor het onmiddellijk doorlaten van personen en/of goederen. De naleefbaarheid van de geluidvoorschriften wordt verder gewaarborgd door voorschrift 3.5 waarin is bepaald dat gedurende laad- en losactiviteiten en eventuele wachttijden de motor van een wagen, voorzover noodzakelijk bij de verlading, niet in werking mag zijn. Ook geluid afkomstig van audioinstallaties mag niet buiten de inrichting hoorbaar zijn (voorschrift 3.7). Verder is in voorschrift 3.8 bepaald dat de compressoren tussen 23.00 uur en 07.00 uur niet in werking mogen zijn.

Gezien de aard van de activiteiten, het feit dat de activiteiten hoofdzakelijk binnen plaats hebben en het geringe aantal vergunde vrachtwagenbewegingen per week, is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft gesteld dat voor onaanvaardbare geluidhinder niet behoeft te worden gevreesd en dat geen aanvullende voorschriften nodig zijn.

2.7.4. Uit de stukken is, wat betreft de geluidhinder door verkeersbewegingen van en naar de inrichting, gebleken dat de inrichting is gelegen in de bebouwde kom van Kruisland en dat het verkeer dat vanuit de inrichting de Brugweg opdraait snel wordt opgenomen in het heersende verkeersbeeld, zodat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de van deze vervoersbewegingen afkomstige geluidhinder niet meer aan het in werking zijn van de inrichting kan worden toegerekend.

Voorzover appellanten van mening zijn dat de aan- en afvoerbewegingen van vrachtwagens op de openbare weg ter hoogte van de inrit van de inrichting geluidhinder veroorzaken, overweegt de Afdeling dat verweerder zich, gelet op de aard van de inrichting en het geringe aantal vrachtwagenbewegingen per week, in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vergunning hierom niet behoefde te worden geweigerd en dat dienaangaande geen specifieke voorschriften aan de vergunning behoefden te worden verbonden.

2.7.5. Gelet op het vorenstaande treffen de beroepsgronden inzake geluid geen doel.

2.8. Wat betreft de grond van appellanten inzake het blokkeren van de toegang tot hun perceel door vrachtwagens van de onderhavige inrichting overweegt de Afdeling dat verweerder zich, gelet op het geringe aantal vrachtwagenbewegingen per week, in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de mogelijke overlast die daarvan wordt ondervonden niet van zodanige omvang is dat hij de vergunning op dit punt had moeten weigeren dan wel nadere voorschriften aan de vergunning had moeten verbinden. Deze beroepsgrond faalt.

2.9. Appellanten stellen dat de aanwezigheid van de inrichting zich niet verdraagt met het ter plaatse geldende bestemmingsplan. Deze beroepsgrond heeft geen betrekking op het belang van de bescherming van het milieu in de zin van artikel 8.10 van de Wet milieubeheer en kan reeds om die reden niet slagen.

2.10. Voorzover appellanten aanvoeren dat de inrichting op een andere locatie gevestigd zou moeten worden, overweegt de Afdeling dat verweerder is gehouden op grondslag van de aanvraag te beoordelen of voor de in die aanvraag genoemde locatie vergunning kan worden verleend. Of een andere locatie meer geschikt is voor vestiging van de inrichting speelt hierbij geen rol. De beroepsgrond treft geen doel.

2.11. Het beroep is ongegrond.

2.12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, Voorzitter, en mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd en mr. M.W.L. Simons-Vinckx, Leden, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll w.g. Montagne

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2004

374.