Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO5737

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-03-2004
Datum publicatie
17-03-2004
Zaaknummer
200304648/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 januari 2003 heeft de gemeenteraad van Arnhem, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 3 december 2002, het bestemmingsplan "Klarendal-Sint Marten" gewijzigd vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200304648/1.

Datum uitspraak: 17 maart 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [plaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 januari 2003 heeft de gemeenteraad van Arnhem, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 3 december 2002, het bestemmingsplan "Klarendal-Sint Marten" gewijzigd vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 24 juni 2003, nr. RE2003.14333, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 14 juli 2003, bij de Raad van State ingekomen op 15 juli 2003, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 21 juli 2003.

Bij brief van 21 oktober 2003 heeft verweerder medegedeeld dat het beroepschrift hem geen aanleiding geeft tot het maken van opmerkingen.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 februari 2004, waar appellant, in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door

mr. E.T. de Jong, advocaat te Arnhem, zijn verschenen.

Voorts is de gemeenteraad van Arnhem, vertegenwoordigd door

mr. J.W. van der Bij, ambtenaar van de gemeente, daar gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.2. Het plangebied ligt midden in het noordelijke stadsdeel van Arnhem en is globaal begrensd door de Apeldoornseweg, Jacob Cremerstraat, Sloetstraat, Onder de Linden, Vijverlaan, Verlengde Hoflaan, Rosendaalsestraat en de spoorlijn Arnhem-Zevenaar. Het plan voorziet in het actualiseren en juridisch en beleidsmatig uniformeren van het planinstrumentarium voor het plangebied Klarendal-Sint Marten binnen de bestaande ruimtelijke structuur. Het beoogt de bestaande situatie (opnieuw) vast te leggen en door de gemeenteraad gewenste ontwikkelingen, waaronder vervangende woningbouw, mogelijk te maken.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder goedkeuring aan het plan verleend.

2.3. Appellant stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan artikel 3.3 van de planvoorschriften, in samenhang met de bij de voorschriften behorende bijlage 3. Hij kan zich er niet mee verenigen dat het plan in zoverre versnelde onteigening van zijn woning aan de [locatie] mogelijk maakt.

2.4. Het plan ziet, voorzover hier van belang, mede op de mogelijkheid veertien bestaande woningen, waaronder de woning van appellant, in het gebied hoek Spaenstraat / Van Hasseltstraat te vervangen door nieuwbouwwoningen. De gemeenteraad heeft aan de gronden waarop de woning van appellant staat, evenals in het vorige plan, de bestemming "Woondoeleinden" toegekend. Voorts heeft hij deze gronden in artikel 3.3 van de planvoorschriften, in samenhang met de bij de voorschriften behorende bijlage 3, aangemerkt als gronden ten aanzien waarvan de verwerkelijking van de bestemming in de naaste toekomst nodig wordt geacht.

2.5. Verweerder acht dit gedeelte van het plan niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening. Gelet hierop heeft hij voornoemd planvoorschrift en voornoemde bijlage bij de planvoorschriften goedgekeurd.

2.6. Op grond van artikel 13, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening kunnen bij een bestemmingsplan voor zover het gronden betreft, waarvan het gebruik afwijkt van het plan, een of meer onderdelen worden aangewezen, ten aanzien waarvan de verwerkelijking van het plan in de naaste toekomst nodig wordt geacht. Volgens de wetsgeschiedenis bij deze bepaling behoeft bestaand gebruik overeenkomstig de bestemming aan onteigening niet in de weg te staan, indien de bij een plan aangewezen bestemming kennelijk het oog heeft op weliswaar vergelijkbaar, maar toch beter of intensiever gebruik, hetgeen tot uiting zou dienen te komen in de bestemmingsomschrijving en de voorschriften omtrent het gebruik van de grond.

Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de planvoorschriften zijn de op de plankaart als "Woondoeleinden" aangegeven gronden bestemd voor wonen, groen- en speelvoorzieningen, buurtwegen, woonstraten en andere voorzieningen ten behoeve van het verkeer en verblijfsgebieden. Vast staat dat de bestemming van de gronden waarop de woning van appellant staat niet afwijkt van het bij de totstandkoming van het plan bestaande gebruik (wonen). Gelet op de planvoorschriften en hetgeen ter zitting hieromtrent is komen vast te staan, is naar het oordeel van de Afdeling voorts niet gebleken dat de bij het plan aangewezen bestemming het oog heeft op, weliswaar vergelijkbaar, maar toch beter of intensiever gebruik. Hieruit volgt dat het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden", voorzover het betreft de gronden waarop de woning van appellant staat, ten onrechte is aangewezen als bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening.

2.6.1. Gelet op het vorenstaande is het plan in zoverre in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Hieruit volgt dat verweerder, door het plan in zoverre goed te keuren, heeft gehandeld in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd, voorzover daarbij goedkeuring is verleend aan artikel 3.3 van de planvoorschriften, in samenhang met de daarbij behorende bijlage 3.

2.6.2. Hieruit volgt dat er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, zodat de Afdeling aanleiding ziet om goedkeuring te onthouden aan artikel 3.3 van de planvoorschriften, in samenhang met de daarbij behorende

bijlage 3.

2.7. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 24 juni 2003, nr. RE2003.14333, voorzover daarbij goedkeuring is verleend aan artikel 3.3 van de planvoorschriften in samenhang met de daarbij behorende bijlage 3;

III. onthoudt goedkeuring aan artikel 3.3 van de planvoorschriften in samenhang met de daarbij behorende bijlage 3;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit voorzover dit is vernietigd;

V. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Gelderland in de door appellant in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 45,77; het bedrag dient door de provincie Gelderland te worden betaald aan appellant;

VI. gelast dat de provincie Gelderland aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 116,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. Hanrath

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2004

392.