Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO5733

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-03-2004
Datum publicatie
17-03-2004
Zaaknummer
200304536/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 mei 2001 heeft de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de Staatssecretaris) aan appellante een bestuurlijke boete opgelegd ten bedrage van ƒ 9.000,00 (€ 4.084,02) wegens overtreding van artikel 16, negende lid, van de Arbeidsomstandighedenwet 1998, in verbinding met de artikelen 3.16, derde lid, en 3.28, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit (hierna: het Arbobesluit).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2004, 306 met annotatie van O.J.D.M.L. Jansen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200304536/1.

Datum uitspraak: 17 maart 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante] gevestigd en wonend te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 20 juni 2003 in het geding tussen:

appellante

en

de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 mei 2001 heeft de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de Staatssecretaris) aan appellante een bestuurlijke boete opgelegd ten bedrage van ƒ 9.000,00 (€ 4.084,02) wegens overtreding van artikel 16, negende lid, van de Arbeidsomstandighedenwet 1998, in verbinding met de artikelen 3.16, derde lid, en 3.28, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit (hierna: het Arbobesluit).

Bij besluit van 1 juli 2002 heeft de Staatssecretaris het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 20 juni 2003, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Zutphen (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 juli 2003, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 29 augustus 2003. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 23 september 2003 heeft de Staatssecretaris van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 januari 2004, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. T. Tanghe, werkzaam bij Schuiteman Accountants te Voorthuizen, en de Staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. R.W.J. Crommelin, ambtenaar bij het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels gesteld in verband met arbeidsomstandigheden van de werknemers.

Ingevolge het negende lid van voornoemd artikel - zoals dit luidde op het moment en voorzover hier van belang - zijn de werkgever en de werknemers verplicht tot naleving van de voorschriften en verboden als bedoeld in de op grond van dit artikel vastgestelde algemene maatregel van bestuur voorzover en op de wijze als bij deze maatregel is bepaald.

Ingevolge artikel 3.16, eerste lid, van het Arbobesluit is bij het verrichten van arbeid waarbij valgevaar bestaat zo mogelijk een veilige steiger, stelling, bordes of werkvloer aangebracht of is het gevaar tegengegaan door het aanbrengen van doelmatige hekwerken, leuningen of andere dergelijke voorzieningen.

Ingevolge het derde lid van dit artikel zijn, indien de in het eerste lid genoemde voorzieningen niet of slechts ten dele kunnen worden aangebracht of indien het aanbrengen of wegnemen daarvan grotere gevaren meebrengt dan de arbeid ter beveiliging waarvan zij zouden moeten dienen, ter voorkoming van het gevaar voldoende sterke en voldoende grote vangnetten op doelmatige plaatsen en wijze aangebracht of worden doelmatige veiligheidsgordels met vanglijnen van voldoende sterkte gebruikt dan wel worden andere technische middelen toegepast, die ten minste een zelfde mate van beveiliging van de in het eerste lid bedoelde arbeid geven. Daarbij hebben maatregelen gericht op collectieve bescherming de voorrang boven maatregelen gericht op individuele bescherming.

Ingevolge artikel 3.28, eerste lid, van het Arbobesluit zijn werkplekken op een bouwplaats die niet op de begane grond zijn gesitueerd, stabiel en stevig, waarbij rekening wordt gehouden met het aantal werknemers dat zich daar bevindt, de maximale belasting en de verdeling daarvan alsmede met externe invloeden. Zonodig zijn ten behoeve van de stabiliteit doeltreffende bevestigingsmiddelen aangebracht.

2.2. Niet in geschil is dat een werknemer van appellante tijdens het verwijderen van ventilatiekokers bij een veeschuur te Putten, op het dak door een niet draagkrachtige, lichtdoorlatende golfplaat is gestapt, waaronder geen bescherming was aangebracht ter voorkoming van valgevaar. Die werknemer heeft toen een val van ongeveer vijf meter gemaakt en letsel opgelopen.

2.3. De rechtbank heeft, samengevat weergegeven, geoordeeld dat het verwijderen van de ventilatiekokers geacht moet worden deel uit te maken van de taakopdracht van het slachtoffer en zijn collega, en dat appellante is tekortgeschoten in de op haar als werkgever rustende zorg- en toezichtplicht, zodat het niet naleven van de voorschriften van het Arbobesluit aan appellante dient te worden toegerekend.

2.4. Appellante bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat de Staatssecretaris het ongeval aan haar heeft mogen toerekenen. Hiertoe heeft appellante onder meer aangevoerd dat de werkopdracht aan haar werknemers was beperkt tot het aanbrengen van isolatiemateriaal aan de binnenzijde van de veeschuur, en dat zij niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor het ongeval nu dat gebeurde tijdens het verrichten van werkzaamheden waartoe zij geen opdracht heeft gegeven.

Dit betoog slaagt. De Afdeling acht op grond van de voorhanden gegevens onvoldoende aannemelijk dat het verwijderen van de ventilatiekokers tot de werkopdracht van de betrokken werknemers hoorde. Hierbij acht de Afdeling van belang dat uit de in het ongevallenboeterapport opgenomen verklaringen van voornoemde werknemers niet onmiskenbaar blijkt dat het verwijderen van de ventilatiekokers tot hun werkopdracht behoorde. Daarbij komt dat namens de Staatssecretaris ter zitting in eerste aanleg is verklaard dat het waarschijnlijk is dat de boete-inspecteur zelf de conclusie heeft getrokken dat het verwijderen van de ventilatiekokers was opgedragen door de werkgever; niet blijkt dat hij werknemers daarnaar expliciet heeft gevraagd. Ook anderszins is niet gebleken dat het verwijderen van de ventilatiekokers tot de aan de werknemers gegeven werkopdracht behoorde. Hierbij kan niet eraan voorbij worden gegaan dat appellante van meet af aan heeft gesteld met de opdrachtgever te zijn overeengekomen dat het oude isolatiemateriaal en de ventilatiekokers zouden zijn verwijderd voordat de werknemers zouden beginnen met het aanbrengen van het nieuwe isolatiemateriaal, ter ondersteuning van welke stelling zij een verklaring van de opdrachtgever heeft overgelegd. Appellante kan worden gevolgd in haar stelling dat het verwijderen van de ventilatiekokers moet worden beschouwd als meerwerk, waarover de werknemers, conform de afspraken binnen het bedrijf, met appellante vooraf contact hadden moeten opnemen.

Gelet op het voorgaande heeft de Staatssecretaris zich in het bestreden besluit op onvoldoende feitelijke grondslag op het standpunt gesteld dat het verwijderen van de ventilatiekokers tot de werkopdracht behoorde. Dusdoende heeft hij artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht geschonden. De rechtbank heeft dit miskend.

2.5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, verklaart de Afdeling het beroep van appellante alsnog gegrond en vernietigt zij de beslissing op bezwaar. De Staatssecretaris zal een nieuwe beslissing op bezwaar dienen te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

2.6. Gelet op het vorenstaande komt de Afdeling niet toe aan hetgeen appellante overigens in hoger beroep heeft aangevoerd.

2.7. De Staatssecretaris dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 20 juni 2003, kenmerk 02/1125 WET;

II. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

III. vernietigt het besluit van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 1 juli 2002, kenmerk AI/CK/JZ/2002/48004;

IV. veroordeelt de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in de door appellante in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1.288,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de Staat der Nederlanden (het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid) te worden betaald aan appellante;

V. gelast dat de Staat der Nederlanden (het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid) aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht, tezamen € 393,00, vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. W.D.M. van Diepenbeek, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Broodman, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk w.g. Broodman

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2004

204-450.