Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO5730

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-03-2004
Datum publicatie
17-03-2004
Zaaknummer
200304423/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 november 2002 heeft de gemeenteraad van Horst aan de Maas, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 29 oktober 2002, het bestemmingsplan "Westelijke buurtontsluitingsweg Horst" gewijzigd vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200304423/1.

Datum uitspraak: 17 maart 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting "Comité Westtangent....anders of niet", gevestigd te Horst,

appellante,

en

het college van gedeputeerde staten van Limburg,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 november 2002 heeft de gemeenteraad van Horst aan de Maas, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 29 oktober 2002, het bestemmingsplan "Westelijke buurtontsluitingsweg Horst" gewijzigd vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 20 mei 2003, kenmerk 2003/20684, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 4 juli 2003, bij de Raad van State ingekomen op 7 juli 2003, beroep ingesteld.

Bij brief van 23 september 2003 heeft verweerder medegedeeld dat het beroepschrift hem geen aanleiding geeft tot het maken van opmerkingen.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellante en van de gemeenteraad. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 februari 2004, waar appellante, vertegenwoordigd door F. van Haren, gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. W.H. Jansen, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.

Voorts is de gemeenteraad van Horst aan de Maas, vertegenwoordigd door mr. J.A.M. van der Velden, advocaat te Breda, en L.A.H. Smits, ambtenaar van de gemeente, daar gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.2. Het bestemmingsplan voorziet in een juridisch-planologische regeling ten behoeve van de aanleg van een buurtontsluitingsweg voor de kern Horst. Het betreft een nieuwe wegverbinding aan de westzijde van de kern Horst tussen de Stationsstraat en de Meterikseweg, gedeeltelijk via de reeds bestaande weg Weltersweide.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder goedkeuring aan het plan verleend.

2.3. Appellante stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan. Zij meent ten onrechte niet betrokken te zijn bij de totstandkoming van het bestemmingsplan hoewel zij verschillende malen heeft aangegeven in overleg te willen treden. Zij voert aan dat het gekozen wegtracé zal leiden tot een ernstige aantasting van het woon- en leefgenot en de gezondheid van omwonenden. Zij stelt dat ten onrechte geen gedegen onderzoek is gedaan naar de door haar voorgestelde alternatieve route, dat het college van burgemeester en wethouders stelselmatig bouwvergunningen heeft afgegeven voor bebouwing op deze route en voorts dat het gemeentelijke planologische beleid, gelet op de gemaakte keuze, ten onrechte slechts gericht is op de korte termijn.

2.4. De gemeenteraad heeft in het plan uitsluitend de bestemming "Verkeersdoeleinden" opgenomen. De op de plankaart voor "Verkeersdoeleinden" aangewezen gronden zijn bestemd voor verkeersvoorzieningen, groenvoorzieningen, openbare nutsvoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen. In de plantoelichting heeft de gemeenteraad onder meer de beoogde functie van de weg, de tracékeuze en de profielkeuze aangegeven en toegelicht.

2.5. Verweerder acht het plan niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening. Hij heeft overwogen zich te kunnen verenigen met het standpunt van de gemeenteraad, dat het in het plan opgenomen tracé na afweging van alle belangen als meest geschikt moet worden aangemerkt. Gelet hierop heeft hij het plan goedgekeurd.

2.5.1. Voorzover appellante stelt dat het gemeentebestuur hangende de planprocedure ten onrechte niet met haar in overleg is getreden, overweegt de Afdeling het volgende. Uit de stukken blijkt dat het voorontwerp-bestemmingsplan is onderworpen aan een inspraakprocedure. Appellante is voorts in gelegenheid gesteld een zienswijze en bedenking in te dienen en mondeling toe te lichten. Niet is gebleken dat de gemeenteraad en verweerder de tegen het ontwerp-plan en het vastgestelde plan ingebrachte zienswijze en bedenking niet in hun besluitvorming hebben betrokken. Ook is niet gebleken dat het plan en het bestreden besluit in zoverre anderszins onzorgvuldig tot stand zijn gekomen of dat in de gevolgde procedure in strijd met de Wet op de Ruimtelijke Ordening en de Algemene wet bestuursrecht is gehandeld.

2.5.2. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting wordt met de aanleg van de westelijke buurtontsluitingsweg beoogd om een meer evenwichtige afwikkeling mogelijk te maken van het verkeer naar en vanuit de westzijde van het centrum van de kern Horst en van het doorgaande verkeer - ten opzichte van het centrum van Horst - naar en vanuit aanliggende bestemmingen ten westen van Horst waardoor de verkeersdruk op de centrumroutes zal verminderen. Daarnaast zal de westelijke buurtontsluitingsweg een ontsluitingsfunctie hebben voor de aan de westzijde van Horst gelegen en nog te ontwikkelen woongebieden. In de plantoelichting wordt verwezen naar een in 2001 door buro BVA Raalte verrichte verkeersmodelstudie op basis van een kentekenonderzoek, waarbij de huidige verkeersstromen binnen de kern Horst in beeld zijn gebracht en voorts zijn doorgerekend naar 2012. Daarbij is uitgegaan van varianten met en zonder westelijke buurtontsluitingsweg. Uit de studie is af te leiden dat verwezenlijking van de buurtontsluitingsweg zo dicht mogelijk langs de bestaande woonwijken leidt tot een adequate ontsluiting van de woonwijken aan de west- c.q. noordwestzijde van Horst en tot een ontlasting van de centrumroutes met gemiddeld 20% van het autoverkeer. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat voornoemde studie zodanige gebreken vertoont dat verweerder zich hierop bij het nemen van het bestreden besluit niet had mogen baseren. Gelet hierop heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het opgenomen wegtracé beantwoordt aan de doelstellingen van het plan.

De aanleg van de westelijke buurtontsluitingsweg zal nadelige consequenties hebben voor het woon- en leefklimaat van omwonenden, gelet op de verwachte toeneming van het verkeer in hun woonomgeving. De Afdeling is echter, gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, van oordeel dat de negatieve invloed op het woon- en leefklimaat naar verwachting niet zodanig zal zijn dat verweerder bij de afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid een groter gewicht heeft kunnen toekennen aan het belang dat is gediend bij een betere afwikkeling van het verkeer dan aan het belang van omwonenden bij het handhaven van de huidige verkeerssituatie.

2.5.3. Het bestaan van alternatieven kan voorts op zichzelf geen grond vormen voor het onthouden van goedkeuring aan het bestemmingsplan. Zoals in overweging 2.1. is aangegeven heeft verweerder bij het nemen van een goedkeuringsbesluit rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Het wegen van alternatieven valt binnen de grenzen van deze vrijheid. De Afdeling ziet in hetgeen appellante in haar beroepschrift heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid met de keuze van de gemeenteraad heeft kunnen instemmen. De stelling van appellante dat het college van burgemeester en wethouders stelselmatig bouwvergunningen heeft afgegeven voor bebouwing op de door appellante voorgestelde alternatieve route, wat daar ook van zij, kan daarom onbesproken blijven.

2.5.4. Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

Het beroep is ongegrond.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaan geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. Hanrath

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2004

392.