Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO5729

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-03-2004
Datum publicatie
17-03-2004
Zaaknummer
200304175/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 oktober 1998 heeft het college van burgemeester en wethouders van Leek (hierna: het college) de aanvraag van appellante om vergunning voor de exploitatie van een kampeerterrein met vijfentwintig kampeermiddelen op de nabij het [locatie] te [plaats] gelegen percelen, kadastraal bekend gemeente Leek, sectie […]., nrs. […], afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200304175/1.

Datum uitspraak: 17 maart 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 16 mei 2003 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Leek.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 oktober 1998 heeft het college van burgemeester en wethouders van Leek (hierna: het college) de aanvraag van appellante om vergunning voor de exploitatie van een kampeerterrein met vijfentwintig kampeermiddelen op de nabij het [locatie] te [plaats] gelegen percelen, kadastraal bekend gemeente Leek, sectie […]., nrs. […], afgewezen.

Bij besluit van 13 juli 1999 heeft het college het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 26 januari 2001 heeft de rechtbank Groningen (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 februari 2002 in zaak no. 200101128/1 heeft de Afdeling het daartegen ingestelde hoger beroep gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank en het besluit van het college vernietigd.

Bij besluit van 27 maart 2002 heeft het college opnieuw het door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 mei 2003, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 26 juni 2003, bij de Raad van State ingekomen op 27 juni 2003, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 11 augustus 2003. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 9 september 2003 heeft het college van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 februari 2004, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. J. Bolt, advocaat te Groningen, en het college, vertegenwoordigd door E.E. Ebens, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen. Voorts is verschenen [belanghebbende].

2. Overwegingen

2.1. Met ingang van 1 november 1995 is de Wet op de Openluchtrecreatie (hierna: de Wor) in werking getreden.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de Wor is het verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders een kampeerterrein te houden.

Ingevolge artikel 10, eerste lid, van de Wor kan een vergunning als bedoeld in artikel 8, eerste lid, slechts worden verleend indien:

a. is voldaan of op redelijke wijze zal worden voldaan aan de regelen gesteld bij of krachtens deze wet en

b. de aanvraag betrekking heeft op een terrein dat bij bestemmingsplan uitsluitend of mede als kampeerterrein is aangewezen.

Ingevolge artikel 39, eerste lid, van de Wor, voorzover hier van belang, blijven vergunningen verleend op grond van artikel 14 van de Kampeerwet gedurende twee jaar na inwerkingtreding van de Wor van kracht, voorzover zij niet eerder zijn vervallen of ingetrokken.

Ingevolge het tweede lid van artikel 39, voorzover hier van belang, worden aanvragen voor vergunningen, die worden ingediend in de periode genoemd in het eerste lid, ten behoeve van kampeerterreinen waarvoor vergunning is verleend op grond van de Kampeerwet en die zouden moeten worden geweigerd uitsluitend wegens strijd met een goedgekeurd bestemmingsplan of het ontbreken daarvan, door burgemeester en wethouders niettemin verleend.

2.2. De Afdeling heeft in voormelde uitspraak van 13 februari 2002 overwogen dat deze in artikel 39, tweede lid, van de Wor neergelegde overgangsregeling niet uitsluit dat het college na een positief verlopen toetsing voor een aanvraag aan artikel 10, eerste lid, onder a, van de Wor eerst na afweging van alle betrokken belangen komt tot het al dan niet uitoefenen tot de bevoegdheid van vergunningverlening.

2.3. Vaststaat dat op 24 maart 1988 aan appellante voor onbepaalde tijd vergunning ingevolge artikel 14 van de Kampeerwet is verleend voor het houden van een kampeerplaats met maximaal twintig kampeermiddelen op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Leek, sectie […] nummer […]. De aanvraag van appellante om een vergunning ingevolge de Wor is ingediend op 31 oktober 1997 en derhalve binnen de hiervoor genoemde overgangsperiode. Het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Buitengebied” verzet zich tegen verlening van de gevraagde vergunning.

2.4. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de aanvraag voorzover die betrekking heeft op de niet in de in 1988 aan appellante verleende vergunning ingevolge artikel 14 van de Kampeerwet begrepen percelen, kadastraal bekend gemeente Leek, sectie […]., nummers […] en op meer dan twintig kampeermiddelen niet voor inwilliging in aanmerking komt wegens strijd met het geldende bestemmingsplan. Voorzover de aanvraag betrekking heeft op het perceel kadastraal bekend gemeente Leek, sectie […], nummer […] en twintig kampeermiddelen, heeft het college het standpunt ingenomen dat de belangen van de buurman van appellante (hierna: belanghebbende) die zijn gediend bij uitbreiding van zijn veehouderijbedrijf zwaarder moeten wegen dan de belangen van appellante bij voorzetting van het kampeerterrein. Het heeft daarbij betrokken dat ingevolge “De tweede partiële herziening van het bestemmingsplan Buitengebied” [belanghebbende] een beperkte uitbreidingsmogelijkheid heeft die niet kan worden verwezenlijkt door de aanwezigheid van het kampeerterrein. Voorts is het college tot de conclusie gekomen dat van de destijds verleende kampeervergunning ten minste tien jaar geen gebruik meer is gemaakt en dat niet is aangetoond dat het bedrijf op korte termijn weer in werking zal treden.

2.5. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college bij de afweging van de betrokken belangen tot afwijzing van de vergunning heeft kunnen komen.

2.6. Appellante kan zich niet verenigen met dit oordeel van de rechtbank. Zij voert onder meer aan dat het college onvoldoende rekening heeft gehouden met haar belangen. De opbrengsten van het kampeerterrein zijn een welkome aanvulling op haar AOW, aldus appellante. Niet bestreden wordt dat voorzover de aanvraag een uitbreiding van de in 1988 verleende vergunning op grond van de Kampeerwet behelst, deze terecht is afgewezen wegens strijd met het geldende bestemmingsplan.

2.7. Het college heeft zijn standpunt dat het kampeerterrein in ieder geval vanaf 1991 niet meer bedrijfsmatig wordt geëxploiteerd, gebaseerd op een rapportage van de Basisgezondheidsdienst West- en Noord-Groningen van 10 oktober 1991. Daarin staat dat het kampeerterrein op dat moment niet is opengesteld en dat bij openstelling de Basisgezondheidsdienst daarvan op de hoogte zal worden gebracht. Vaststaat dat appellante de Basisgezondheidsdienst tot dusver niet heeft ingelicht over de openstelling van het kampeerterrein. Appellante heeft voorts haar stelling dat zij tot 1997 op kleine schaal het kampeerterrein heeft geëxploiteerd, niet op enige wijze, bijvoorbeeld aan de hand van een gastenlijst of boekhouding, aannemelijk gemaakt.

[belanghebbende] heeft in 2000 de varkenshouderij, die zich bevindt op het perceel naast het kampeerterrein, overgenomen van zijn broer. Het standpunt van appellante dat de milieuvergunning van [belanghebbende] op grond van artikel 8:18 van de Wet milieubeheer van rechtswege zou zijn vervallen voorzover hij niet binnen drie jaar na verlening van de vergunning het aantal vergunde dieren is gaan houden, is onjuist. Dat artikel verbindt – voorzover hier van belang – een dergelijk gevolg slechts aan het niet voltooid en in werking hebben gebracht van de inrichting binnen drie jaar nadat de vergunning onherroepelijk is geworden. Daarvan is hier geen sprake. Voorts heeft de rechtbank op goede gronden geoordeeld dat het college aannemelijk heeft kunnen achten dat uitbreidingsplannen bij [belanghebbende] aanwezig zijn.

Gelet op het bovenstaande moet met de rechtbank worden geconcludeerd dat geen plaats is voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid bij de afweging van de belangen een zwaarder gewicht heeft kunnen toekennen aan de belangen van [belanghebbende] .

Het beroep op het gelijkheidsbeginsel kan niet slagen nu niet is gebleken van gelijke gevallen. Camping de Berkenhof, die inmiddels is opgeheven, is, zoals niet is weersproken, vanaf 1984 onafgebroken in bedrijf geweest en het nabijgelegen agrarische bedrijf had om andere redenen al geen uitbreidingsmogelijkheden meer. De twee andere campings, waarvoor in het kader van de overgang van de Kampeerwet naar de Wor, een kampeervergunning is verleend, zijn als zodanig bestemd in het geldende bestemmingsplan.

Gelet op al het vorenstaande heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het college de vergunning heeft kunnen weigeren.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. W.D.M. van Diepenbeek, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S.C. van Tuyll van Serooskerken, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Van Tuyll van Serooskerken

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2004

290.