Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO5723

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-03-2004
Datum publicatie
17-03-2004
Zaaknummer
200303876/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 september 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Venlo (hierna: het college) appellante gelast – onder aanzegging van bestuursdwang – om alle in strijd met artikel 2:6 van de Algemene plaatselijke verordening Venlo (hierna: de APV) geplaatste zwerfkeien op de zandweg gelegen ter hoogte van de [locatie] en het in strijd met artikel 2:6 van de APV opgeslagen zand (zandhopen) op de open plek nabij de [locatie], binnen een week te verwijderen en verwijderd te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Gst. 2004, 73 met annotatie van P.C.M. Heinen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200303876/1.

Datum uitspraak: 17 maart 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 12 juni 2003 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Venlo.

1. Procesverloop

Bij besluit van 3 september 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Venlo (hierna: het college) appellante gelast – onder aanzegging van bestuursdwang – om alle in strijd met artikel 2:6 van de Algemene plaatselijke verordening Venlo (hierna: de APV) geplaatste zwerfkeien op de zandweg gelegen ter hoogte van de [locatie] en het in strijd met artikel 2:6 van de APV opgeslagen zand (zandhopen) op de open plek nabij de [locatie], binnen een week te verwijderen en verwijderd te houden.

Bij besluit van 19 november 2002 heeft het college het door appellante daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 12 juni 2003, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Roermond (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 juni 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 5 augustus 2003 heeft het college van antwoord gediend.

Bij brief van 16 augustus 2003 heeft appellante een memorie ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 februari 2004, waar het college, vertegenwoordigd door J.M.G. Vincken, ambtenaar der gemeente, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 2:6, eerste lid, van de APV is het verboden zonder vergunning van het college de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de bestemming daarvan.

Ingevolge artikel 2:8, eerste lid, van de APV is het verboden zonder vergunning van het college een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.

Ingevolge artikel 1.1, aanhef en onder a, van de APV wordt in deze verordening verstaan dan wel mede verstaan onder weg:

1. de weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW), alsmede de daaraan liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen;

2. de – al dan niet met enige beperking – voor het publiek toegankelijke pleinen en open plaatsen, parken, plantsoenen, speelweiden, zandbakken, kinderspeelplaatsen, bossen en andere natuurterreinen, ijsvlakten en aanlegplaatsen voor vaartuigen.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, onder b, van de WVW wordt onder wegen verstaan: alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten.

2.2. Het in hoger beroep door appellante gedane beroep op artikel 174 van de Gemeentewet treft - daargelaten de vraag of dit tijdig is gedaan - geen doel, omdat het in die bepaling niet gaat om een bevoegdheid van het college maar van de burgemeester en voorts omdat die bepaling niet ziet op een weg of (parkeer)terrein maar op een voor het publiek openstaand gebouw met daarbij behorend erf.

2.3. Het betoog van appellante dat de rechtbank heeft miskend dat artikel 2:6 van de APV in strijd is het met eigendomsrecht zoals neergelegd in artikel 5:1 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), en voorts dat het in strijd is met artikel 108 gelezen in samenhang met de artikelen 147 en 149 van de Gemeentewet faalt. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat artikel 2:6 gelezen in samenhang met artikel 1.1 van de APV een publiek belang betreft en niet een volstrekt verbod bevat, zodat niet gesteld kan worden dat de gemeentelijke wetgever de door artikel 108, gelezen in samenhang met de artikelen 147 en 149 van de Gemeentewet, gestelde grenzen heeft overschreden. Nu de (eigendoms)rechten van appellante op het perceel hierdoor niet illusoir zijn geworden, is van strijd met artikel 5:1 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM geen sprake.

2.4. Het betoog van appellante dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de [locatie] een openbare weg is, treft evenmin doel. Het college heeft zijn bevoegdheid tot het aanzeggen van bestuursdwang gebaseerd op overtreding van artikel 2:6, eerste lid, van de APV. In het onderhavige geval dient dan ook te worden vastgesteld of sprake is van een weg in de zin van de APV. Daarvoor is artikel 1.1, aanhef en ander a, van de APV van belang. Anders dan de rechtbank heeft aangenomen, is de Wegenwet voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een weg in de zin van die bepaling niet van betekenis. Gelet op de zich in het dossier bevindende stukken, waaronder de foto’s, is naar het oordeel van de Afdeling voldoende komen vast te staan dat de [locatie] een openbare weg is als bedoeld in artikel 1.1, aanhef en onder a, sub 1 van de APV.

2.5. Anders dan appellante heeft betoogd, heeft de rechtbank een juiste voorstelling van zaken gegeven door de open plek aan te duiden als het parkeerterreintje. Voorts heeft zij terecht geoordeeld dat dit terrein in elk geval valt aan te merken als een weg als gedefinieerd in artikel 1.1, aanhef en onder a, sub 2 van de APV, te weten als een voor publiek toegankelijke plaats.

2.6. De rechtbank heeft dan ook met juistheid geoordeeld dat het college terecht heeft geconstateerd dat appellante in strijd met artikel 2:6, eerste lid, van de APV, gelezen in samenhang met artikel 1.1 van de APV, heeft gehandeld door zonder vergunning de weg onbruikbaar te maken. Voorts heeft zij met juistheid overwogen dat in dit geval voor de toepassing van de APV de bestemming in het kader van het bestemmingsplan niet relevant is. Het college heeft terecht bij de beslissing op bezwaar mede artikel 2:8, eerste lid, van de APV aan het besluit tot toepassing van bestuursdwang ten grondslag gelegd. Nu appellante niet beschikte over een vergunning als bedoeld in de artikelen 2:6, eerste lid, en 2:8, eerste lid, van de APV was het college bevoegd om appellante bestuursdwang aan te zeggen.

2.7. Alleen in bijzondere gevallen kan van het bestuursorgaan worden verlangd dat het afziet van handhavend optreden tegen de illegale situatie. Daarvan kan in een geval als het onderhavige sprake zijn indien concreet zicht bestaat op legalisering. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat een dergelijke situatie zich niet voordoet.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, zij het met verbetering van de gronden waarop die rust, te worden bevestigd.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. C.H.M. van Altena, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink w.g. Zwemstra

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2004

91-395.