Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO5705

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-03-2004
Datum publicatie
17-03-2004
Zaaknummer
200303452/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 september 2002 heeft de gemeenteraad van Zeist, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 1 juli 2002, het bestemmingsplan "Het Rond e.o." vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200303452/1.

Datum uitspraak: 17 maart 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

Werkgroep Natuurlijk Zeist-West, gevestigd te Zeist,

appellante,

en

het college van gedeputeerde staten van Utrecht,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 september 2002 heeft de gemeenteraad van Zeist, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 1 juli 2002, het bestemmingsplan "Het Rond e.o." vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 1 april 2003, no. 2003REG000657i, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 26 mei 2003, bij de Raad van State ingekomen op 28 mei 2003, beroep ingesteld.

Bij brief van 2 september 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht (verder te noemen: deskundigenbericht) uitgebracht, gedateerd 28 november 2003. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellante. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 februari 2004, waar appellante, vertegenwoordigd door E. Schuler, gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door G.A. de Mello, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord de gemeenteraad van Zeist, vertegenwoordigd door B. Gangelhof, ambtenaar van de gemeente.

Er is na de zitting nog een stuk ontvangen van verweerder. Dit is aan de andere partijen toegezonden. Met toestemming van partijen is afgezien van een hernieuwde behandeling ter zitting.

2. Overwegingen

2.1. Appellante heeft het argument met betrekking tot het koppelen van het uitgangspunt van de gelaagdheid aan de wijzigingsbevoegdheid voor wijzigingsgebied 1 ter zitting ingetrokken.

2.2. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (verder te noemen: WRO) in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.3. Het plan voorziet in een actuele regeling voor het gebied tussen het Slot Zeist en het winkel/voorzieningencentrum van Zeist. Met het plan wordt beoogd de bestaande situatie vast te leggen en tevens enkele ontwikkelingsmogelijkheden te bieden.

2.4. Appellante stelt dat verweerder ten onrechte grotendeels goedkeuring heeft verleend aan het plan. Appellante voert aan dat de bestemming “Verkeersdoeleinden” onvoldoende bescherming biedt voor de bomen en andere groenelementen die onderdeel uitmaken van de lanenstructuur langs de Waterigeweg, de Lageweg, Het Rond, de Laan van Beek en Royen en de Slotlaan.

Voorts stelt zij dat de voorgenomen verkeersbeperkende maatregelen op de 1e Dorpsstraat, 2e Dorpsstraat en de Utrechtseweg in het plan ten onrechte niet zijn gekoppeld aan verkeersmaatregelen buiten het plangebied die in het Gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan (verder: GVVP) zijn genoemd. Hierdoor vreest zij voor verkeersoverlast en aantasting van het groen in woonwijken en op smalle wegen in het buitengebied. Appellante stelt verder dat de wijzigingsbevoegdheid, die onder meer dient om de Lageweg te kunnen verleggen, ten onrechte in het plan is opgenomen. Gezien de te verwachten aantasting van bepaalde waarden ter plaatse als gevolg van het verleggen van de Lageweg, dient de besluitvorming hierover aan de gemeenteraad voorbehouden te blijven, aldus appellante. Zij voert ook aan dat bij de wijzigingsbevoegdheid, opgenomen om de herstructurering van de Maurikstraat mogelijk te maken in verband met de verbouwing van het gemeentehuis, te ruime bebouwingsmogelijkheden zijn gegeven. Voorts stelt zij dat het terrein op de hoek van de Kerkweg en de Maurikstraat als groen had moeten worden bestemd. Appellante voert verder aan dat het woord “openbare” in de artikelen 14 en 17, van de planvoorschriften, moet worden vervangen door “open”. Tevens dient het woord “honoreren” in de artikelen 4 en 14, van de planvoorschriften, volgens appellante te worden vervangen door “verlenen”. Ten slotte stelt zij dat bij vrijstellingen en nadere eisen ook ecologische overwegingen dienen te worden betrokken.

2.5. De gemeenteraad stelt dat het behoud en herstel van de laanbomenstructuur een van de uitgangspunten is van het plan. Hij is van mening dat in het plan voldoende bescherming wordt geboden aan bomen en andere groenelementen die onderdeel uitmaken van de door appellante bedoelde lanenstructuur. De gemeenteraad meent in het plan een balans te hebben gevonden tussen het belang van het behoud van het groen en andere belangen, zoals die van een goede verkeersafwikkeling. Teneinde toekomstige ontwikkelingen mogelijk te maken is in het plan voorts voorzien in een aantal wijzigingsbevoegdheden, waarbij de wijze waarop aan deze ontwikkelingen invulling wordt gegeven nog niet vaststaat, aldus de gemeenteraad.

2.6. Verweerder heeft geen reden gezien het plan in strijd te achten met een goede ruimtelijke ordening en heeft het grotendeels goedgekeurd. Verweerder onderschrijft het standpunt van de gemeente wat betreft de bescherming van bomen en andere groenelementen die onderdeel uitmaken van de door appellante bedoelde lanenstructuur. Voorts stelt hij dat het tegengaan van verkeersoverlast buiten het plangebied dient te worden geregeld door het nemen van verkeersmaatregelen in die gebieden. Verder is de keuze van de gemeenteraad om in het plan een wijzigingsbevoegdheid voor het college van burgemeester en wethouders op te nemen, teneinde onder meer de Lageweg te kunnen verleggen, volgens verweerder een bewuste keuze geweest die in overeenstemming is met de systematiek van de WRO. Verweerder stelt ook dat in deze wijzigingsbevoegdheid voldoende voorwaarden zijn opgenomen die waarborgen dat de waarden in het plangebied niet onevenredig worden aangetast, hetgeen tevens in de procedure in het kader van artikel 11 van de WRO zal worden beoordeeld. Voorts stelt verweerder dat de stedenbouwkundige uitgangspunten die in het plan aan de wijzigingsbevoegdheid voor de herstructurering van de Maurikstraat ten grondslag liggen, aanvaardbaar zijn. Hij ziet verder geen aanleiding om onderdelen van de planvoorschriften in de door appellante bedoelde zin te wijzigen.

2.7. Blijkens de plankaart zijn de bomen en andere groenelementen langs de Waterigeweg, de Lageweg, Het Rond, de Laan van Beek en Royen en de Slotlaan ten dele bestemd als “Beeldbepalend groen” en ten dele opgenomen in de bestemming “Verkeersdoeleinden”, met de aanduiding “behoud/herstel lanenstructuur”.

Ingevolge artikel 14, eerste lid, onder A, van de planvoorschriften, voorzover hier van belang, zijn de op de plankaart voor beeldbepalend groen aangewezen gronden bestemd voor groenstructuren met monumentale waarde met bijbehorende bebouwing en voorzieningen.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, onder A, van de planvoorschriften, voorzover hier van belang, zijn de op de plankaart voor verkeersdoeleinden aangewezen gronden bestemd voor:

1. verkeersdoeleinden;

2. verblijfsdoeleinden;

alsmede voor:

3. het behoud, de versterking en het herstel van de historische lanenstructuur, ter plaatse waar de gronden op de plankaart zijn voorzien van de aanduiding “behoud/herstel lanenstructuur”.

Voorts staat in artikel 16, eerste lid, onder B, van de planvoorschriften, beschreven dat de historische structuur van het Slotcomplex in het verleden werd beklemtoond door de aanwezigheid van laanbeplanting langs de Slotlaan, de Laan van Beek en Royen, de Lageweg en de Waterigeweg. Thans is deze laanbeplanting nog gedeeltelijk aanwezig. Het beleid is erop gericht de bestaande structuurversterkende potenties te behouden en de lanenstructuur langs deze lanen te herstellen.

Voorzover de door appellante bedoelde bomen en groenelementen zich bevinden binnen de dubbelbestemming “Beschermd dorpsgezicht Slot Zeist e.o.” is voorts artikel 17, eerste lid, onder A, van de planvoorschriften van toepassing. Hierin is, voorzover hier van belang, opgenomen dat de op de plankaart voor beschermd dorpsgezicht aangewezen gronden, naast de daarvoor aangewezen andere bestemmingen, primair bestemd zijn voor het behoud en herstel van de cultuurhistorische waarden en de beeldkwaliteit van het beschermde dorpsgezicht Slot Zeist e.o., zoals omschreven onder B. In artikel 17, eerste lid, onder B, van de planvoorschriften, voorzover hier van belang, staat vervolgens dat het beleid is gericht op het behoud en herstel van de karakteristiek van het Slotcomplex en de samenhang tussen de verschillende delen van het Slotcomplex, waarbij de herkenbaarheid van de inrichting onder meer wordt geaccentueerd door de historische lanenstructuur.

Gelet op deze planvoorschriften ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de bescherming van bomen en andere groenelementen, die onderdeel uitmaken van de door appellante bedoelde lanenstructuur, voldoende is gewaarborgd. De Afdeling neemt hierbij tevens in aanmerking dat in het GVVP, waarin het gemeentelijke beleid aangaande mobiliteit, verkeer en vervoer is vastgelegd, het behoud van de leefbaarheid en identiteit van de gemeente Zeist als doelstelling is opgenomen. Het behoud van onder meer de lanenstructuur wordt hieronder begrepen. Verder acht de Afdeling van belang dat de artikelen 4.5.1 en 4.5.2, van de Algemene Plaatselijke Verordening, een vereiste van een kapvergunning bevatten, waardoor ook bescherming wordt geboden aan de bomen. Bij de vergunningverlening dient te worden getoetst aan de verschillende waarden van de houtopstand, waaronder de waarde voor stads- en dorpsschoon en de cultuurhistorische waarde.

Uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht, is gebleken dat een plandeel met de bestemming “Beeldbepalend groen” aan de Laan van Beek en Royen, onjuist is ingetekend. Het was de bedoeling om aan een strook grond waar een rij karakteristieke bomen staat de genoemde bestemming te geven. Deze strook heeft echter de bestemmingen “Verkeersdoeleinden” respectievelijk “Gemengde doeleinden (G)” gekregen, terwijl de bestemming “Beeldbepalend groen” is gelegd op een strookje grond direct langs de weg, waarop geen bomen staan. Nu verweerder dit niet heeft onderkend ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd. In de gegeven omstandigheden ziet de Afdeling tevens aanleiding om goedkeuring te onthouden aan een plandeel met de bestemming “Beeldbepalend groen”, dat betrekking heeft op de berm langs de Laan van Beek en Royen en aan plandelen met de bestemmingen “Verkeersdoeleinden” respectievelijk “Gemengde doeleinden (G)” ten noorden daarvan, zoals nader aangeduid op de bij deze uitspraak behorende kaart.

2.7.1. Het gemeentebestuur van Zeist heeft op 27 maart 2001 een GVVP vastgesteld, dat voor een periode van ongeveer tien jaar is aangemerkt als een strategisch beleidskader op het gebied van mobiliteit, verkeer en vervoer. In het GVVP zijn doelstellingen en beleidskaders opgenomen voor het autoverkeer, de fiets, openbaar vervoer, verkeersveiligheid, flankerend beleid en milieu en is de toekomstige hoofdverkeersstructuur voor Zeist vastgelegd. Met dit plan dient bij het opstellen van ruimtelijke plannen rekening te worden gehouden, hetgeen in dit geval is geschied. De 1e Dorpsstraat, 2e Dorpsstraat, Utrechtseweg en Lageweg zijn in het GVVP aangemerkt als hoofdwegen van de tweede orde, bedoeld voor de bereikbaarheid van (centrale) voorzieningen en woonwijken. Blijkens het GVVP gaan voor deze wegen diverse verkeersmaatregelen gelden. In het GVVP staat voorts vermeld dat deze maatregelen gekoppeld dienen te worden aan een aantal verkeersmaatregelen elders, waaronder de reconstructie van de Krakelingweg en het inrichten van doseerpunten voor het autoverkeer en het aanleggen van busstroken op de Driebergseweg.

De Afdeling overweegt dat de verkeersmaatregelen waarop appellante doelt, los van het plan kunnen worden getroffen. Dit geldt zowel voor de maatregelen binnen het plangebied als voor die daarbuiten. De Afdeling is dan ook van oordeel dat de bezwaren van appellante die zich richten tegen de volgorde waarin de verkeersmaatregelen, zoals in het GVVP voorzien, dienen te worden getroffen, in deze procedure niet aan de orde kunnen komen. Gelet op de stukken is de bestemming “Verkeersdoeleinden” voorts ruim gelegd, teneinde de ontwikkelingen in het kader van het GVVP daarin een plaats te kunnen geven. De Afdeling overweegt dat het plan het niet onmogelijk maakt dat ernstige verkeersoverlast buiten het plangebied wordt voorkomen. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het plan niet in de weg staat aan de volgorde van de verkeersmaatregelen, zoals die in het GVVP is beschreven.

2.7.2. In artikel 20, eerste lid, onder A, van de planvoorschriften, is voor het gebied met de aanduiding “wijzigingsgebied 3” bepaald dat het college van burgemeester en wethouders het bestemmingsplan kan wijzigen voor het toevoegen van bebouwing tussen de monumentale gebouwen genaamd Kosmos en Beek en Royen, in combinatie met de verlegging van de Lageweg. Daarbij kunnen de bestaande bestemmingsvlakken voor “Verkeersdoeleinden”, “Gemengde doeleinden (G)” en “Beeldbepalend groen” worden verschoven en/of in omvang worden gewijzigd. In dit planvoorschrift is voorts een aantal wijzigingsvoorwaarden opgenomen. Als voorwaarde wordt onder meer gesteld dat vooraf aan de Rijksdienst voor de Monumentenzorg en de Monumentencommissie van de gemeente Zeist om advies dient te worden gevraagd. Ook worden er voorwaarden gesteld ten aanzien van de nieuwe bebouwing ter plaatse en omtrent het verleggen van de Lageweg, waarbij zoveel mogelijk beeldbepalend groen wordt gespaard. Gelet op de stukken betekent het laatste dat de Lageweg zo dicht mogelijk langs het monumentale gebouw de Oranjerie zal worden aangelegd, nu in dat gebied sprake is van jonge aanplant, terwijl in het gebied ten zuiden daarvan monumentale bomen staan. In het boomtechnisch onderzoek, dat is uitgevoerd door Copijn Utrecht Boomspecialisten B.V., is voor dit gebied dienaangaande een voorkeursmodel opgenomen.

In artikel 4, vierde lid, onder c, van de planvoorschriften, voorzover hier van belang, staat dat bij de toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in het kader van artikel 11 van de WRO dient te worden getoetst aan het woon- en leefklimaat, het straat- en bebouwingsbeeld en de verkeersveiligheid.

Blijkens de plankaart valt een gedeelte van het wijzigingsgebied voorts onder de dubbelbestemming ”Beschermd dorpsgezicht Slot Zeist e.o.”. Ingevolge artikel 17, eerste lid, onder A, van de planvoorschriften, zijn deze gronden bestemd voor het behoud van cultuurhistorische waarden en de beeldkwaliteit van het beschermde dorpsgezicht Slot Zeist e.o..

Blijkens de stukken is de genoemde wijzigingsbevoegdheid gegeven met het oogmerk de Lageweg te verleggen en kantoorbebouwing tussen de gebouwen Beek en Royen en Kosmos mogelijk te maken, teneinde dit deel van het plangebied op te waarderen en te hergebruiken. Gezien de stukken is de mate waarin de aanwezige landschappelijke en cultuurhistorische waarden ter plaatse worden aangetast voorts afhankelijk van de wijze waarop het gebied zal worden ingericht. Over deze inrichting heeft echter nog geen definitieve besluitvorming plaatsgevonden.

Gelet op de wijzigingsvoorwaarden en op de overige genoemde planvoorschriften is de Afdeling van oordeel dat het opnemen van de wijzigingsbevoegdheid niet behoeft te betekenen dat zich een ernstige aantasting van de door appellante bedoelde waarden zal voordoen. Voorts dient het gemeentebestuur, indien kan worden voldaan aan de wijzigingsvoorwaarden, in de besluitvorming omtrent de vaststelling van een wijzigingsplan na te gaan of uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening, gelet op de betrokken belangen, wijziging van de oorspronkelijke bestemming is gerechtvaardigd. Verweerder heeft zich derhalve op het standpunt kunnen stellen dat de gevolgen van een wijzigingsplan nader kunnen worden bezien in het kader van een procedure tot wijziging van het plan op grond van artikel 11, van de WRO. Verder onderschrijft de Afdeling het standpunt van verweerder dat de keuze om het college van burgemeester en wethouders de wijzigingsbevoegdheid toe te kennen in overeenstemming is met de systematiek van de WRO en ook overigens niet onaanvaardbaar is.

2.7.3. In artikel 20, eerste lid, onder A, van de planvoorschriften, is voor het gebied met de aanduiding “wijzigingsgebied 1” bepaald, voor zover hier van belang, dat het college van burgemeester en wethouders het plan kan wijzigen voor de herstructurering van de Maurikstraat en omgeving. Dit in verband met de (ver)nieuwbouw van het gemeentehuis en de verplaatsing van Garage [naam autobedrijf]. Daarbij kunnen binnen wijzigingsgebied 1 bouwvlakken worden verschoven en kunnen verschillende bestemmingen worden gewijzigd, waarna de desbetreffende bestemmingsbepalingen van toepassing zijn. Hieraan is een aantal wijzigingsvoorwaarden verbonden. Deze voorwaarden zien onder meer op de woonbebouwing, welke uitsluitend evenwijdig aan de Maurikstraat en het verlengde daarvan in zuidelijke richting mag worden gerealiseerd. Hier geldt de maatvoering van de desbetreffende bestemmingsbepalingen, te weten twee bouwlagen met een kap, terwijl de horizontale diepte van het bouwvlak niet meer dan twaalf meter bedraagt. Er mogen tevens geen woningen of andere gebouwen worden gebouwd op het terrein tussen de nieuw te bouwen woningen evenwijdig aan de Maurikstraat en het nieuw te bouwen gedeelte van het gemeentehuis evenwijdig aan de 1e Dorpsstraat. Voorts zien de voorwaarden op de, in de planvoorschriften zo genoemde, forumondersteunende functies, welke uitsluitend aan Het Rond en langs de 1e Dorpsstraat worden gesitueerd. Hier mag de goothoogte niet meer dan negen meter bedragen en moet de voorgevelrooilijn van de bestaande bebouwing langs de 1e Dorpsstraat worden aangehouden. Ten slotte dienen de hoofdlijnen van het karakteristieke Walkartpark, zoals beschreven in artikel 14 van de planvoorschriften, in stand te blijven.

Blijkens de stukken is de gemeenteraad voornemens middels de genoemde wijzigingsbevoegdheid de nieuwbouw van het gemeentekantoor/stadhuis alsmede de uitplaatsing van het autobedrijf [naam autobedrijf] en de herontwikkeling ter plaatse mogelijk te maken. Omtrent de inrichting van het gebied heeft nog geen definitieve besluitvorming plaatsgevonden.

Naar het oordeel van de Afdeling heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld, dat de gemeenteraad in beginsel de ruimte heeft te bepalen welke stedenbouwkundige uitgangspunten bij het gebruik maken van de wijzigingsbevoegdheid in acht dienen te worden genomen. Het is de Afdeling, gelet op de genoemde wijzigingsvoorwaarden, niet gebleken dat deze uitgangspunten onvoldoende waarborgen bieden om eventuele stedenbouwkundige dan wel cultuurhistorische waarden te kunnen beschermen. Evenmin ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat de bebouwingsmogelijkheden die in de wijzigingsvoorwaarden zijn gegeven, afbreuk doen aan deze waarden.

Wat betreft de bestemming “Woondoeleinden, categorie III” van het terrein op de hoek van de Kerkweg en de Maurikstraat, is, mede gelet op het verhandelde ter zitting, niet gebleken van ernstige bezwaren tegen deze bestemming, temeer daar in het verleden ter plaatse bebouwing aanwezig is geweest.

2.7.4. Ingevolge artikel 14, eerste lid, onder A, van de planvoorschriften, voorzover hier van belang, zijn de op de plankaart voor beeldbepalend groen aangewezen gronden bestemd voor groenstructuren met monumentale waarde met bijbehorende bebouwing en voorzieningen. Ingevolge artikel 17, eerste lid, onder A, van de planvoorschriften, voorzover hier van belang, zijn de op de plankaart voor beschermd dorpsgezicht aangewezen gronden, naast de daarvoor aangewezen andere bestemmingen, primair bestemd voor het behoud en herstel van de cultuurhistorische waarden en de beeldkwaliteit van het beschermde dorpsgezicht Slot Zeist e.o. In artikel 14, vierde lid, onder A, aanhef en sub 2, en artikel 17, vierde lid, onder A, aanhef en sub 3, van de planvoorschriften, is voorts een aanlegvergunningenstelsel opgenomen voor onder meer het beplanten van openbare ruimten.

Het begrip “openbare ruimten” moet blijkens de uitleg die daarover ter zitting is verstrekt, in beide artikelen zo worden verstaan dat daarmee die ruimten worden bedoeld, die voor het publiek toegankelijk zijn. De Afdeling kan zich met deze uitleg verenigen. Er bestaat dan ook geen aanleiding voor de vrees van appellante dat dit begrip onvoldoende duidelijk is. Verweerder heeft derhalve bij de beoordeling van het plan geen overwegende betekenis hoeven toekennen aan de bezwaren van appellante dienaangaande.

2.7.5. Ingevolge artikel 4, tweede lid, onder B, sub 3, en artikel 14, vierde lid, onder B, sub 2, van de planvoorschriften, voorzover hier van belang, is het in deze artikelen genoemde aanlegvergunningenstelsel niet van toepassing op werken en/of werkzaamheden die noodzakelijk zijn voor de realisering van een bouwwerk waarvoor de aanvraag tot bouwvergunning is gehonoreerd.

De Afdeling acht het standpunt van verweerder, dat voornoemde planvoorschriften met het gebruik van het begrip “honoreren” voldoende duidelijk zijn en dat derhalve geen noodzaak bestaat dit begrip te vervangen door het begrip “verlenen”, niet onjuist.

2.7.6. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen noodzaak bestaat voor het in het algemeen in het plan opnemen van ecologische overwegingen in het kader van de regelingen voor vrijstellingen en nadere eisen. De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat de gemeenteraad naar aanleiding van de bezwaren van appellante reeds in artikel 14, tweede lid, onder C, van de planvoorschriften, dat ziet op beeldbepalend groen, heeft opgenomen dat het college van burgemeester en wethouders nadere eisen kan stellen aan de situering en de omvang van de bebouwing, ten behoeve van onder meer ecologische waarden.

2.8. Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, met uitzondering van hetgeen is overwogen in overweging 2.5.

In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin in zoverre aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

Het beroep is in zoverre ongegrond.

2.9. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Utrecht van 1 april 2003, 2003REG000657i, voorzover het betreft een plandeel met de bestemming “Beeldbepalend groen”, dat betrekking heeft op de berm langs de Laan van Beek en Royen en twee plandelen met de bestemming “Verkeersdoeleinden” respectievelijk “Gemengde doeleinden (G)” ten noorden daarvan, zoals nader aangeduid op de bij deze uitspraak behorende kaart;

III. onthoudt goedkeuring aan de plandelen genoemd onder II;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit voorzover dit is vernietigd;

V. verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

VI. gelast dat de provincie Utrecht aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 232,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door dr. D. Dolman, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. H.E. Troost, ambtenaar van Staat.

w.g. Dolman w.g. Troost

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2004

234-445.