Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO5702

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-03-2004
Datum publicatie
17-03-2004
Zaaknummer
200303288/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 april 2003 heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan de [vergunninghouders] vergunning verleend voor het veranderen van een agrarisch hulpbedrijf met opslag van mest aan de [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nummers […]. Dit besluit is op 17 april 2003 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200303288/1.

Datum uitspraak: 17 maart 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellanten sub 2]., wonend te [woonplaats],

3. [appellant sub 3], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Voorst,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 april 2003 heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan de [vergunninghouders] vergunning verleend voor het veranderen van een agrarisch hulpbedrijf met opslag van mest aan de [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nummers […]. Dit besluit is op 17 april 2003 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellant sub 1 bij brief van 21 mei 2003, bij de Raad van State ingekomen per telefaxbericht op 22 mei 2003, appellanten sub 2 bij brief van 21 mei 2003, bij de Raad van State ingekomen per telefaxbericht op dezelfde dag, en appellant sub 3 bij brief van 26 mei 2003, bij de Raad van State ingekomen op 27 mei 2003, beroep ingesteld. Appellanten sub 2 hebben hun beroep aangevuld bij telefaxbericht van 22 mei 2003. Appellant sub 3 heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 19 juni 2003.

Bij brief van 10 juli 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 10 oktober 2003. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant sub 1. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 januari 2004, waar appellant sub 1, vertegenwoordigd door mr. J.H. Hermsen, advocaat te Apeldoorn, appellanten sub 2, van wie [een van de appellanten] in persoon en bijgestaan door mr. F.F. Scheffer, gemachtigde, die tevens de overige appellanten sub 2 vertegenwoordigde, appellant sub 3, bijgestaan door mr. J.T.A.M. van Mierlo, advocaat te Deventer, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. ing. R. van der Plank en J. Jansen, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.

Voorts zijn daar gehoord als partij vergunninghouders, verschenen in persoon.

2. Overwegingen

2.1. Bij het bestreden besluit is vergunning verleend voor het uitbreiden van het aantal transportbewegingen in de dag- en avondperiode. Eerder is voor deze inrichting een revisievergunning verleend, op 21 december 1993.

2.2. Appellant sub 1 betoogt dat de capaciteit van de inrichting groter is dan 25.103 m³ per jaar en dat de inrichting moet worden aangemerkt als een inrichting als bedoeld in categorie 7.4 van Bijlage I van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (hierna: het Besluit). Derhalve zijn gedeputeerde staten van Gelderland het bevoegd gezag, aldus appellant sub 1.

2.2.1. Ingevolge categorie 7.4 van het Besluit zijn gedeputeerde staten het bevoegd gezag ten aanzien van inrichtingen, behorende tot deze categorie, voorzover het inrichtingen betreft voor het bewerken of verwerken van van buiten de inrichting afkomstige dierlijke meststoffen met een capaciteit ten aanzien daarvan van 25.103 m3 per jaar of meer.

2.2.2. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de inrichting een opslagcapaciteit heeft van 3.000 m3. Verder hebben vergunninghouders ter zitting medegedeeld dat de inrichting een omzetsnelheid per jaar heeft van 5 maal de opslagcapaciteit van de inrichting. De capaciteit van de inrichting per jaar is derhalve maximaal 15.000 m3. De capaciteit van de inrichting blijft hiermee onder de in categorie 7.4 van het Besluit genoemde capaciteit van 25.103 m³ per jaar. Gezien het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat hij bevoegd was te beslissen op de aanvraag om vergunning voor het veranderen van de inrichting.

2.3. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.4. Appellant sub 1 en appellant sub 3 betogen dat de plaatselijke infrastructuur niet berekend is op een toename van het aantal transportbewegingen. Verder betoogt appellant sub 3 dat de ontwikkeling van industriële bedrijvigheid niet wenselijk is in verband met het karakter van het landelijk gebied en dat de aanwezigheid van de inrichting zich niet verdraagt met het ter plaatse geldende bestemmingsplan.

Deze beroepsgronden hebben geen betrekking op het belang van de bescherming van het milieu in de zin van artikel 8.10 van de Wet milieubeheer en kunnen reeds om die reden niet slagen.

2.5. Appellant sub 1 heeft bezwaren met betrekking tot de aard van de inrichting. Hij betoogt dat de bedrijfsactiviteiten niet worden gedekt door de onderliggende revisievergunning uit 1993. Appellanten sub 2 betogen dat de stankhinder als gevolg van de mestbewerking niet juist is beoordeeld. Verder betogen appellanten sub 2 dat niet is beoordeeld wat de geluidaspecten van de vrachtwagens op de parkeerplaatsen zijn.

Uit de aanvraag om vergunning van 23 mei 2002 blijkt dat is aangevraagd uitbreiding van het aantal transportbewegingen in de dag- en de avondperiode. Uit de aanvraag om vergunning is niet gebleken dat mestbewerking en parkeerplaatsen voor vrachtwagens zouden zijn aangevraagd. De Afdeling overweegt dat verweerder is gehouden op grondslag van de aanvraag te beoordelen of voor de in die aanvraag genoemde activiteiten vergunning kan worden verleend. De beantwoording van de vraag of de overige bedrijfsactiviteiten worden gedekt door de vergunning uit 1993, speelt hierbij geen rol. Deze beroepsgronden treffen geen doel.

2.6. Appellant sub 3 en appellanten sub 2 hebben bezwaren met betrekking tot geluid. Appellant sub 3 betoogt geluidhinder te ondervinden van het lossen van mest en van de activiteiten met betrekking tot de opslag van mest. Appellanten sub 2 betogen dat het achtergrondgeluidniveau van 46 dB(A), waarvan verweerder is uitgegaan, exceptioneel hoog is. Verder hebben appellanten sub 2 aangevoerd dat de aan de vergunning verbonden geluidvoorschriften niet kunnen worden nageleefd. In dit verband hebben zij betoogd dat de roldeur per dag langer open staat dan 2 uren, waardoor de geluidbelasting anders uitvalt.

2.6.1. Verweerder stelt dat het achtergrondgeluidniveau is gebaseerd op een referentieniveaumeting uit 1995. Verder stelt verweerder dat door de geluidbelasting van de activiteiten binnen de inrichting de geluidvoorschriften die zijn verbonden aan de vergunning niet zullen worden overtreden. Daarbij heeft hij overwogen dat, nu het akoestisch rapport deel uitmaakt van de veranderingsvergunning, op grond van deze vergunning de roldeur van de loods per dag niet langer dan 2 uur geopend mag zijn.

2.6.2. Verweerder heeft voor de beoordeling van de van de inrichting te duchten directe geluidhinder hoofdstuk 4 en hoofdstuk 3, paragraaf 3.2, van de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (verder te noemen: de Handreiking) als uitgangspunt gehanteerd.

In de Handreiking wordt aanbevolen om zolang er nog geen gemeentelijke nota industrielawaai is vastgesteld – zoals het geval is in de gemeente Voorst – bij het opstellen van de geluidvoorschriften gebruik te maken van de systematiek van richt- en grenswaarden zoals die in hoofdstuk 4 van de Handreiking zijn opgenomen.

In de Handreiking staan richtwaarden vermeld die zijn gerelateerd aan de aard van de woonomgeving en die als uitgangspunt worden gehanteerd bij het stellen van geluidgrenswaarden. Voor bestaande inrichtingen beveelt de Handreiking aan om bij herziening van vergunningen de richtwaarden voor woonomgevingen opnieuw te toetsen. Overschrijding van de richtwaarden is mogelijk tot het referentieniveau van het omgevingsgeluid. Overschrijding van het referentieniveau van het omgevingsgeluid tot een maximum etmaalwaarde van 55 dB(A) kan volgens de Handreiking in sommige gevallen toelaatbaar worden geacht op grond van een bestuurlijk afwegingsproces, waarbij geluidbestrijdingskosten een belangrijke rol dienen te spelen.

Voor het maximale geluidniveau geldt op grond van de Handreiking een voorkeursgrenswaarde van het equivalente geluidniveau vermeerderd met 10 dB(A) en zijn waarden van 70, 65 en 60 dB(A) in de dag-, avond- en nachtperiode ten hoogste aanvaardbaar.

2.6.3. Ingevolge voorschrift A.1 mag het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr, LT), veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en plaatsvindende activiteiten, ter plaatse van woningen van derden en – voorzover binnen een afstand van 50 meter van de inrichting geen woningen van derden zijn gelegen – op enig punt 50 meter van de terreingrens niet meer bedragen dan 45 dB(A) tussen 07.00 uur en 19.00 uur (dagperiode), 40 dB(A) tussen 19.00 uur en 23.00 uur (avondperiode) en 35 dB(A) tussen 23.00 uur en 07.00 uur (nachtperiode).

Ingevolge voorschrift A.2 mag onverminderd het gestelde in voorschrift A.1 (voorschrift A.2 verwijst naar “voorschrift B.1”, maar dit is een kennelijke verschrijving) het maximale geluidniveau (LAmax), gemeten in de meterstand “fast”, op de in dat voorschrift vermelde punten niet hoger zijn dan 70 dB(A) tussen 07.00 en 19.00 uur (dagperiode), 65 dB(A) tussen 19.00 en 23.00 uur (avondperiode) en 60 dB(A) tussen 23.00 en 07.00 uur (nachtperiode).

2.6.4. Wat de in voorschrift A.2 opgenomen grenswaarden voor het maximale geluidniveau betreft constateert de Afdeling dat deze gelijk zijn aan de grenswaarden die in de Handreiking als maximaal aanvaardbaar zijn aangemerkt.

Wat de in voorschrift A.1 neergelegde geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau betreft heeft verweerder blijkens de stukken aansluiting gezocht bij het referentieniveau van het omgevingsgeluid. Voor de hoogte van het referentieniveau heeft verweerder zich gebaseerd op het rapport “Geluidbelasting op de omgeving van loon- en mestopslagbedrijf Dreierink te Terwolde” van Akoestisch adviesburo Van der Boom van 23 augustus 1995 (kenmerk 95.180.1). In dit rapport is het referentieniveau voor de dag- en avondperiode vastgesteld op 46 dB(A). De in voorschrift A.1 gestelde geluidgrenswaarden zijn aldus lager dan het referentieniveau van het omgevingsgeluid.

Appellanten sub 2 hebben niet aangevoerd waarom dit referentieniveau van het omgevingsgeluid exceptioneel hoog zou zijn. Ook voor het overige is niet gebleken dat de referentieniveaumeting niet representatief is. De Afdeling is daarom van oordeel dat er geen grond is voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de gestelde geluidgrenswaarden toereikend zijn om geluidhinder te voorkomen dan wel voldoende te beperken.

2.6.5. Voorzover appellanten sub 2 betogen dat verweerder een onjuiste beoordeling heeft gemaakt van de geluidhinder, overweegt de Afdeling dat uit het dictum van het bestreden besluit blijkt dat de aanvraag en het daarbij behorende “Akoestisch onderzoek Mestbe- en verwerking Dreierink te Terwolde, rapportage” van 24 mei 2002 (kenmerk H.02.118, hierna: het akoestisch rapport) deel uitmaken van de vergunning. In dit rapport is aangegeven dat de roldeur aan de voorkant van de loods alleen tijdens het halen van de strobalen met de shovel en het binnenrijden van de vrachtwagens geopend is. Voor het met de shovel halen van balen stro kunnen 100 ritten per dag worden gemaakt. Verder blijkt uit het akoestisch rapport dat de roldeur maximaal 2 uur per dag open staat. Het standpunt van verweerder dat op grond van de vergunning de roldeur van de loods niet langer dan twee uur geopend mag zijn is derhalve juist. Verder is niet gebleken dat de in het akoestische rapport aangegeven situatie niet kan worden aangemerkt als de representatieve bedrijfssituatie.

Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat verweerder geen onjuiste beoordeling heeft gemaakt van de geluidbelasting die de uitbreiding met zich brengt en dat hij zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat de geluidvoorschriften A.1 en A.2 kunnen worden nageleefd.

Voorzover appellanten sub 2 betogen dat de vergunning niet zal worden nageleefd, overweegt de Afdeling dat dit betoog zich niet richt tegen de ter beoordeling staande vergunning en om die reden in deze procedure niet kan leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.

2.7. Appellanten sub 2 betogen dat de vóór de inrichting wachtende vrachtwagens ten onrechte niet zijn toegerekend aan de inrichting.

2.7.1. Uit de aanvraag om vergunning is niet gebleken dat vrachtwagens, alvorens te worden geladen of te worden gelost, buiten het terrein van de inrichting staan te wachten. Uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat vrachtwagens die de inrichting aandoen voor het laden en lossen, wachten op het terrein van inrichting. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het niet nodig is om aan de bij het bestreden besluit verleende veranderingsvergunning voorschriften omtrent voor de inrichting wachtende vrachtwagens te verbinden.

2.8. Appellant sub 3 betoogt stankhinder te ondervinden van het laden en lossen van de vrachtwagens. Appellanten sub 2 betogen dat de stankhinder als gevolg van de openstaande roldeuren niet is beoordeeld.

2.8.1. Ingevolge voorschrift B.1 van de onderliggende revisievergunning van 21 december 1993 mag de uurgemiddelde geuremissieconcentratie ten gevolge van de opslag en bewerking van mest ter plaatse van de dichtstbijzijnde woning gedurende een periode van tenminste 95% van het jaar niet meer bedragen dan 1 geureenheid per m3.

2.8.2. Aan de onderliggende revisievergunning is voorschrift B.1 met betrekking tot de geuremissieconcentratie verbonden. Deze vergunning blijft – naast de bij het bestreden besluit verleende veranderingsvergunning – van kracht. Onbetwist is dat voorschrift B.1 betrekking heeft op de bij het bestreden besluit vergunde veranderingen van de inrichting.

Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt noch is anderszins gebleken dat voormeld voorschrift niet toereikend is ter voorkoming van onaanvaardbare stankhinder. Verweerder heeft zich derhalve in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het niet nodig is aan de veranderingsvergunning nadere voorschriften omtrent stankhinder te verbinden.

2.9. Appellant sub 1 heeft zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de tegen het ontwerp van het besluit ingebrachte bedenkingen. In de considerans van het bestreden besluit is verweerder ingegaan op deze bedenkingen. Appellant sub 1 heeft noch in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende bedenkingen in het bestreden besluit onjuist zou zijn. Ook voor het overige is niet gebleken dat die weerlegging van de bedenkingen onjuist zou zijn. Het beroep is in zoverre ongegrond.

2.10. De beroepen zijn ongegrond.

2.11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, Voorzitter, en mr. J.A.M. van Angeren en mr. M. Oosting, Leden, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt w.g. Van Hardeveld

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2004

312-396.