Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO5697

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-03-2004
Datum publicatie
17-03-2004
Zaaknummer
200303239/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 april 2003, kenmerk DGWM/2003/3968, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghoudster] (hierna: TVV) een vergunning verleend voor het veranderen van een inrichting voor de verwerking van afvalstoffen, gelegen op het perceel [locatie sub 1] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Wateringen, sectie […], nummers […]. Dit besluit is op 7 april 2003 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.1
Wet milieubeheer 8.23
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2004/5451
JOM 2008/179
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200303239/1.

Datum uitspraak: 17 maart 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], allen wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 3 april 2003, kenmerk DGWM/2003/3968, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghoudster] (hierna: TVV) een vergunning verleend voor het veranderen van een inrichting voor de verwerking van afvalstoffen, gelegen op het perceel [locatie sub 1] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Wateringen, sectie […], nummers […]. Dit besluit is op 7 april 2003 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 19 mei 2003, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 19 juni 2003.

Bij brief van 20 november 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 30 oktober 2003. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten, verweerder en TVV. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 februari 2004, waar appellanten, van wie [gemachtigde] en [gemachtigde] in persoon, bijgestaan door mr. H.A. Steendam, gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. C.H. Pennekamp-Topman en ing. J. Koedoot, ambtenaren van de provincie, zijn verschenen.

Voorts is als partij TVV, vertegenwoordigd door mr. G.J.M. Cartigny, advocaat te Rotterdam, en N. Donkers, drs. M. Visser en ir. P.P.A. van Vugt, gemachtigden, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. De veranderingsvergunning heeft betrekking op het verhogen van de hoeveelheid te shredderen bomen en takken van 15.000 tot 35.000 ton per jaar en het verruimen van de werktijden waarop kan worden geshredderd van twaalf keer per jaar tot vijf dagen per week.

2.2. Ter zitting heeft appellante de beroepsgronden met betrekking tot de verkeersoverlast en verkeersveiligheid alsmede de onjuiste datum van de oprichtingsvergunning in het dictum van het bestreden besluit ingetrokken.

2.3. Appellanten voeren aan dat de aanvraag onvoldoende gegevens bevat over stofhinder en de daaruit voortvloeiende gezondheidsrisico’s alsmede over de toename van de geluidbelasting ten gevolge van de uitbreiding van de activiteiten.

Ingevolge artikel 5.1, in samenhang met artikel 5.18, van het Inrichtingen en vergunningenbesluit milieubeheer dient de aanvrager in of bij de aanvraag onder meer te vermelden: de aard en omvang van de belasting van het milieu die de inrichting tijdens normaal bedrijf kan veroorzaken, daaronder begrepen een overzicht van de belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu die daardoor kunnen worden veroorzaakt.

Hetgeen appellanten hebben aangevoerd leidt niet tot het oordeel dat de aanvraag niet voldoet aan het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer.

Het beroep is in zoverre ongegrond.

2.4. Appellanten voeren aan dat verweerder ten onrechte niet heeft bepaald dat in plaats van een veranderingsvergunning een revisievergunning moet worden aangevraagd. Zij betogen dat het vergunningenbestand onoverzichtelijk is, hetgeen de handhaafbaarheid niet ten goede komt. Verder voeren zij aan dat de aangevraagde verandering niet kan worden beoordeeld zonder daarbij het eerder vergunde gedeelte van de inrichting te betrekken, aangezien de capaciteit van de inrichting met een derde is toegenomen, met alle gevolgen vandien voor de geur- en geluidbelasting en stofhinder.

2.4.1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het vergunningenbestand ook na verlening van de onderhavige vergunning voldoende overzichtelijk is. Zijns inziens bestond er dan ook geen aanleiding om in dit geval een aanvraag om revisievergunning te verlangen. Bij de beoordeling van de aanvraag is door hem tevens aandacht besteed aan een mogelijk optredende cumulatie van nadelige milieueffecten.

2.4.2. Artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt: “Indien een vergunning wordt aangevraagd als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, onder b, voor het veranderen van een inrichting of van de werking daarvan en voor die inrichting al een of meer vergunningen krachtens deze wet zijn verleend, kan het bevoegd gezag, uit eigen beweging of op verzoek, bepalen dat een vergunning moet worden aangevraagd voor die verandering en voor het in werking hebben na die verandering van de gehele inrichting of onderdelen daarvan, waarmee die verandering samenhangt.”

2.4.3. De Afdeling overweegt dat verweerder, gelet op artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer, beleidsvrijheid toekomt bij het al dan niet verlangen van een revisievergunning indien een veranderingsvergunning is aangevraagd. Niet gebleken is dat ten gevolge van de onderhavige veranderingsvergunning een onoverzichtelijke vergunningssituatie ontstaat. Gelet hierop heeft verweerder bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid kunnen afzien van zijn bevoegdheid een revisievergunning te verlangen.

Het beroep is in zoverre ongegrond.

2.5. Appellanten voeren aan dat ten onrechte geen milieu-effectrapport (hierna: mer) is opgemaakt bij de voorbereiding van het bestreden besluit. De mer die is opgesteld bij de voorbereiding van het besluit waarbij aan TVV een oprichtingsvergunning is verleend, is achterhaald, nu de inrichting is uitgebreid. Bovendien is evaluatie van dit mer achterwege gebleven, terwijl dat wel is voorgeschreven in een aan de oprichtingsvergunning verbonden voorschrift.

2.5.1. Verweerder betoogt dat de plicht tot het maken van een mer voor de activiteiten die plaatsvinden in de onderhavige inrichting of het veranderen daarvan reeds in 1999 is vervallen.

2.5.2. Ingevolge artikel 7.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer, kort weergegeven en voorzover thans van belang, moet het bevoegd gezag ten aanzien van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen activiteiten bepalen of voor de activiteit, vanwege de bijzondere omstandigheden waaronder zij wordt genomen, een mer moet worden gemaakt.

Ingevolge artikel 2, tweede lid, van het Besluit milieu-effectrapportage 1994, kort weergegeven en voorzover thans van belang, worden als activiteiten als bedoeld in artikel 7.4, eerste lid, van de wet aangewezen de activiteiten die behoren tot een categorie die in onderdeel D van de bijlage is omschreven.

In categorie 18.3 in samenhang met categorie 18.2 van onderdeel D van de bijlage behorende bij dit Besluit, voorzover thans van belang, wordt als zodanige activiteit aangewezen de wijziging of uitbreiding van een inrichting bestemd voor het bewerken, verwerken of vernietigen van overige organische meststoffen, groenafval en GFT, niet zijnde gevaarlijke afvalstoffen, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een capaciteit van 100 ton per dag of meer.

2.5.3. Op grond van de stukken stelt de Afdeling vast dat bij besluit van 13 juli 2000 aan TVV een oprichtingsvergunning is verleend voor, onder andere, het verwerken van organisch groenafval, waaronder het shredderen en composteren van bomen en takken. De aangevraagde verandering betreft alleen het shredderen van bomen en takken. Uit de stukken maakt de Afdeling op dat de technische houtshreddercapaciteit van de inrichting niet hoeft te worden uitgebreid voor het verwerken van de thans aangevraagde hoeveelheid te shredderen bomen en takken. Van een wijziging dan wel uitbreiding van een inrichting in de zin van onderdeel A van de bijlage behorende bij het Besluit Milieu-effectrapportage 1994 is daarom geen sprake. Gelet hierop heeft verweerder terecht geoordeeld dat bij de voorbereiding van het bestreden besluit geen mer behoefde te worden gemaakt.

Voorzover appellanten aanvoeren dat een aan de oprichtingsvergunning verbonden voorschrift niet wordt nageleefd overweegt de Afdeling dat deze beroepsgrond geen betrekking heeft op de rechtmatigheid van de ter beoordeling staande vergunning en om die reden niet kan slagen. De Algemene wet bestuursrecht voorziet overigens in de mogelijkheid tot het treffen van maatregelen die strekken tot het afdwingen van de naleving van de voorschriften die aan een vergunning zijn verbonden.

Het beroep is in zoverre ongegrond.

2.6. Voorzover appellanten aanvoeren dat de aangevraagde activiteiten op een andere locatie uitgevoerd zouden moeten worden, overweegt de Afdeling dat verweerder is gehouden op grondslag van de aanvraag te beoordelen of voor de in die aanvraag genoemde locatie vergunning kan worden verleend. Of een andere locatie meer geschikt is voor het uitvoeren van de aangevraagde activiteiten speelt hierbij geen rol.

Het beroep is in zoverre ongegrond.

2.7. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.8. Appellanten vrezen geluidhinder. Zij voeren aan dat ten onrechte geen strengere geluidgrenswaarden zijn gesteld en dat onderzocht had moeten worden of de geluidbelasting vanwege de shredder en vanwege de daarmee samenhangende activiteiten kan worden beperkt. Verder staan appellanten voor dat aan de vergunning een voorschrift wordt verbonden waarin het aantal dagen per week dat de shredder in werking mag zijn, wordt beperkt.

Verder betwijfelen appellanten of de geluidbelasting nog wel aan de geldende geluidgrenswaarden kan voldoen, aangezien de uitbreiding een toename van de vrachtwagenbewegingen alsmede het gebruik van de shredder en de shovel met zich zal brengen. Met name het achteruitrijden van de shovel veroorzaakt veel geluidhinder vanwege de hoge pieptonen van de achteruitrijsignalering.

Zij zijn van mening dat verweerder zich bij de beoordeling van de naleefbaarheid van de geluidgrenswaarden van de vigerende vergunning ten onrechte heeft gebaseerd op het akoestisch rapport van 8 februari 2002, nr. FH 3134-3 van Peutz & Associes (hierna: het akoestisch rapport) en het hierbij behorende addendum van 4 september 2002, nr. FH 3134-4. In dit verband voeren zij aan dat in voormelde stukken ten onrechte is uitgegaan van de berekeningen in plaats van geluidmetingen, dat geen rekening is gehouden met het aantal dagen waarop de geluidbelasting vanwege de shredder optreedt en dat de berekende geluidniveaus, die in de geluidrapporten worden uitgedrukt in LAr,LT, ten onrechte zijn getoetst aan de geluidvoorschriften van de oprichtingsvergunning, in welke voorschriften het geluidniveau is uitgedrukt in LAeq. Verder betogen zij dat het akoestisch rapport en het addendum onvoldoende verklaren hoe de maximale geluidniveaus ten gevolge van de wijziging zijn berekend. In het bij brief van 22 december 2003 ingekomen nader stuk voeren zij aan dat de door verweerder als nader stuk overgelegde Notitie van 28 november 2003 van de Provincie Zuid-Holland, waarin de resultaten zijn neergelegd van het onderzoek naar de achteruitrijsignalering van de shovel, onduidelijk is wat betreft degene die de metingen heeft verricht en de daarbij gehanteerde procedure, en onjuist voorzover daarin wordt vermeld dat de achteruitrijsignalering van de shovel bij de woningen aan de Dorpskade en de Zwethkade niet duidelijk hoorbaar is.

2.8.1. Verweerder heeft zich bij de beoordeling van de aangevraagde uitbreiding op het standpunt gesteld dat de geluidgrenswaarden van de oprichtingsvergunning een toereikend beschermingsniveau bieden en dat de geluidhinder vanwege het geheel aan activiteiten in de inrichting daaraan dient te kunnen voldoen. Blijkens het akoestisch rapport en het addendum is dat het geval. Verweerder bestrijdt de gestelde onjuistheid dan wel onvolledigheid of onduidelijkheid van die stukken. Hij wijst erop dat de geluidbelasting vanwege de inrichting volgens de “Handleiding meten en rekenen industrielawaai 1999” dient te worden beoordeeld per etmaalperiode, waarbij het aantal dagen dat een activiteit plaatsvindt niet van belang is. De maximale geluidniveaus vanwege de shovel en de transportbewegingen zijn niet in beeld gebracht, omdat de houtshredder het hoogste piekgeluidniveau veroorzaakt. Volgens hem blijkt uit de als nader stuk overgelegde Notitie van 28 november 2003 dat het tonale geluid vanwege de achteruitrijsignalering van de shovel bij de beoordelingspunten niet duidelijk hoorbaar is en dat de geluidbelasting vanwege de inrichting, de achteruitrijsignalering van de shovel incluis, ter plaatse van de woningen de gestelde geluidgrenswaarden niet overschrijdt.

2.8.2. Blijkens het bestreden besluit gelden de geluidvoorschriften verbonden aan de oprichtingsvergunning van 13 juli 2000 ook voor de vergunde verandering van de inrichting.

Ingevolge het aan de oprichtingsvergunning verbonden voorschrift 9.1 mag het equivalente geluidniveau LAeq ter hoogte van de gevel van de woningen de volgende waarden niet overschrijden:

- 50 dB(A) over de periode tussen 07.00 en 19.00 uur;

- 45 dB(A) over de periode tussen 19.00 en 23.00 uur;

- 40 dB(A) over de periode tussen 23.00 en 07.00 uur.

Ingevolge voorschrift 9.2 mag het maximale geluidniveau LMax ter hoogte van de gevel van de woningen de volgende waarden niet overschrijden:

- 70 dB(A) in de periode tussen 07.00 en 19.00 uur;

- 65 dB(A) in de periode tussen 19.00 en 23.00 uur;

- 60 dB(A) in de periode tussen 23.00 en 07.00 uur.

2.8.3. De Afdeling overweegt dat in het geval dat een veranderingsvergunning wordt verleend de onderliggende vergunning naast deze vergunning van kracht blijft. Voorzover de aard van de verandering en de aard van de voorschriften zich daartegen niet verzetten, worden de voorschriften van de onderliggende vergunning ook geacht betrekking te hebben op wijzigingen die nadien bij een veranderingsvergunning zijn vergund. Naar het oordeel van de Afdeling verzetten de aard van de verandering en de aard van de geluidvoorschriften zich er niet tegen dat in dit geval deze voorschriften van toepassing worden op de aangevraagde verandering.

De Afdeling overweegt verder dat het stelsel van de Wet milieubeheer, zoals dat in het bijzonder in hoofdstuk 8 van deze wet is neergelegd, niet toelaat dat het bevoegde gezag in het kader van een veranderingsvergunning ambtshalve wijzigingen aanbrengt in de onderliggende vergunning, indien deze wijzigingen niet onmiddellijk samenhangen met de aangevraagde verandering. De Afdeling stelt vast dat de aangevraagde verandering niet leidt tot een afname van de geluidbelasting veroorzaakt door de inrichting. Gelet hierop is het stellen van strengere geluidgrenswaarden in het onderhavige geval geen wijziging die binnen het kader van de aanvraag voortvloeit uit de verzochte verandering. In een dergelijk geval kunnen strengere geluidgrenswaarden slechts worden bewerkstelligd door toepassing te geven aan artikel 8.23 van de Wet milieubeheer.

Het beroep is in zoverre ongegrond.

2.8.4. In het akoestisch rapport en het addendum is, zo blijkt uit deze stukken, de Handleiding meten en rekenen industrielawaai 1999 (hierna: de Handleiding) gehanteerd. Voor zover appellanten betogen dat ten onrechte geen geluidmetingen zijn uitgevoerd kan de beroepsgrond niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit, aangezien aan de hand van rekenmodellen de geluidbelasting vanwege de inrichting is berekend en dit, gelet op de Handleiding, als een gangbare methode kan worden aangemerkt om de geluidbelasting te bepalen. Voorts is in deze rapporten en tevens door verweerder de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (hierna: de Handreiking) als uitgangspunt gehanteerd bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van de geluidbelasting van de inrichting. Hierin wordt de toelaatbaarheid van de geluidbelasting ten gevolge van de representatieve bedrijfssituatie beoordeeld per beoordelingsperiode, waartoe het etmaal in een dag-, avond- en nachtperiode wordt onderverdeeld. Daarbij is niet van belang het aantal etmalen per jaar waarop deze geluidbelasting plaatsvindt. Van deze wijze van beoordelen kan worden afgeweken ingeval het een niet-representatieve bedrijfssituaties betreft, die een grotere geluidbelasting dan gewoonlijk met zich brengen. Van dit laatste is in het onderhavige geval evenwel geen sprake.

Uit het deskundigenbericht maakt de Afdeling op dat het belangrijkste verschil tussen het beoordelingsniveau uitgedrukt in LAeq en LAr,LT is de wijze van toepassing van de toeslag vanwege tonaal geluid met een impulsachtig karakter of muziek geluid. Ingeval geen sprake is van deze typen geluid kan het beoordelingsniveau uitgedrukt in deze twee verschillende eenheden met elkaar worden vergeleken. Gelet op de Handleiding dient onder andere bij tonaal geluid een toeslag te worden gehanteerd op het gemeten (of berekende) langtijdgemiddeld deelgeluidniveau van de periode waarin de bron, die het tonale geluid veroorzaakt, wordt ingezet. Daarbij geldt dat het tonale karakter van het geluid duidelijk hoorbaar dient te zijn op het beoordelingspunt. In het deskundigenbericht is geconcludeerd dat de achteruitrijsignalering van de shovel niet in het akoestisch rapport en het addendum is meegenomen en dat het geluid een tonaal karakter heeft. In de als reactie hierop nader overgelegde Notitie van 28 november 2003, die is gebaseerd op metingen ter plaatse, wordt vermeld dat in het onderhavige geval de achteruitrijsignalering van de shovel bij de dichtstbijzijnde woningen niet duidelijk hoorbaar is. De Afdeling ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de bevindingen in de Notitie op dit punt onjuist zijn. Het voorgaande houdt in dat terecht geen toeslag is toegepast voor tonaal geluid en dat de in LAr,LT uitgedrukte geluidbelasting kan worden getoetst aan de in LAeq uitgedrukte geluidgrenswaarden uit de oprichtingsvergunning. Voorts is, gelet op het gestelde in de Notitie, aannemelijk dat de geluidbelasting vanwege de inrichting, inclusief de achteruitrijsignalering van de shovel de gestelde grenswaarden in de oprichtingsvergunning niet overschrijdt.

De Afdeling stelt vast dat in de directe nabijheid van de inrichting de woning gelegen aan de [locatie sub 2] is gesitueerd. Uit de overgelegde geluidrapporten blijkt niet dat verweerder deze woning bij de beoordeling van geluidhinder in aanmerking heeft genomen. Uit het als nader stuk overgelegde akoestisch rapport van 5 februari 2004 van Peutz & Associes volgt echter dat de geluidbelasting vanwege de inrichting bij de woning gelegen aan de [locatie sub 2] in de dagperiode 48 dB(A) bedraagt. De Afdeling ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat deze bevindingen onjuist zijn. Gelet hierop kan de gestelde geluidgrenswaarde voor de dagperiode van 50 dB(A) ook bij deze woning worden nageleefd.

Wat de piekgeluiden betreft is in het deskundigenbericht geconcludeerd dat het maximale geluidniveau niet op de juiste wijze is berekend, doch dat het werkelijke maximale geluidniveau de piekgeluidgrenswaarden uit de oprichtingsvergunning niet zal overschrijden. De Afdeling ziet geen reden om aan deze conclusie te twijfelen.

Gelet op het bovenstaande heeft verweerder zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat de gestelde geluidgrenswaarden uit de oprichtingsvergunning kunnen worden nageleefd.

Het beroep is in zoverre ongegrond.

2.9. Voorzover appellanten aanvoeren dat het aan de onderhavige vergunning verbonden voorschrift 6G.20, waarin, kort weergegeven, is bepaald dat de hoeveelheid te shredderen bomen en takken wordt verhoogd naar 35.000 ton per kalenderjaar, niet handhaafbaar is, overweegt de Afdeling dat, aan de oprichtingsvergunning registratievoorschriften zijn verbonden, die mede van toepassing zijn op deze activiteit. Gelet hierop kan deze beroepsgrond niet slagen.

2.10. Appellanten vrezen een toename van de geuroverlast vanwege de uitbreiding en voeren aan dat ten onrechte geen middelvoorschrift ter zake aan de vergunning is verbonden. Verder voeren zij aan dat ten onrechte in het geurrapport van 6 februari 2003 van Project Research Amsterdam OdourNet BV (hierna: PRA) het LTFD-model is gehanteerd ter berekening van de geurverspreiding, terwijl inmiddels het Nieuw Nationaal Model als het meest recente algemeen aanvaarde milieutechnisch inzicht wordt aangemerkt. Daarnaast voeren zij aan dat ter plaatse van de woning gelegen aan de [locatie sub 2] het acceptabel hinderniveau wordt overschreden, aangezien uit het geurrapport van 6 februari 2003 blijkt dat deze woning binnen de geurcontour van 2,7 ge/m3 als 98-percentiel ligt. Verder achten zij onduidelijk of de woning gelegen aan de [locatie sub 3] daadwerkelijk buiten deze geurcontour ligt.

2.10.1. Verweerder baseert zich op het geurrapport van 6 februari 2003 van PRA. Hieruit blijkt volgens hem dat bij een beperking van de shredderhoeveelheid tot 35.000 ton per jaar het acceptabel geurhinderniveau niet wordt overschreden.

2.10.2. In de oprichtingsvergunning is het acceptabel geurhinderniveau vastgesteld op 2,7 ge/m3 als 98-percentiel bij de geurgevoelige objecten. In het aan de oprichtingsvergunning ten grondslag liggende geurrapport van juni 1997 is vermeld dat ter plaatse van de woningen het acceptabel geurhinderniveau niet wordt overschreden. Van dit acceptabel geurhinderniveau is verweerder eveneens uitgegaan bij de beoordeling van de geurhinder vanwege de inrichting na de thans vergunde uitbreiding van de activiteiten.

2.10.3. De Afdeling concludeert uit het deskundigenbericht dat het ter vergelijking van de geurbelasting aan te bevelen is om in het geurrapport van 6 februari 2003 hetzelfde rekenmodel voor de geurverspreiding te hanteren als is gehanteerd in het geurrapport behorende bij de oprichtingsvergunning. Mede gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het geurrapport van 6 februari 2003 in zoverre onjuist is.

In dit geurrapport is aan het in de oprichtingsvergunning opgenomen acceptabel geurhinderniveau van 2,7 ge/m3 als 98-percentiel getoetst. In het rapport wordt geconcludeerd dat binnen de daarbij behorende geurcontour geen woningen van derden zijn gelegen, indien de shreddercapaciteit wordt beperkt tot 35.000 ton per jaar. Vast staat dat daarbij geen rekening is gehouden met de woning gelegen aan de [locatie sub 2].

Ter zitting is evenwel komen vast te staan dat uit berekening van de geurverspreiding overeenkomstig het Nieuw Nationaal Model blijkt dat de geurbelasting vanwege de inrichting voornoemd acceptabel geurhinderniveau ter plaatse van de woning gelegen aan de [locatie sub 2] niet overschrijdt. Het voorgaande in aanmerking genomen ziet de Afdeling geen aanleiding om het bestreden besluit op dit punt te vernietigen.

Gelet hierop is het beroep in zoverre ongegrond.

2.11. Appellanten vrezen een toename van stof vanwege het shredderen en de opslag van geshredderd materiaal. Zij voeren aan dat ter zake ten onrechte geen middelvoorschriften aan de vergunning zijn verbonden. Daarnaast betogen zij dat dit stof schadelijk is voor de gezondheid en dat verweerder hier ten onrechte geen onderzoek naar heeft verricht.

2.11.1. Verweerder bestrijdt dat het shredderen en de opslag van bomen en takken een stuifgevoelige activiteit is dan wel dat hier gezondheidsrisico’s uit voort kunnen vloeien. Bovendien is de shredder gesitueerd op een afstand van 200 meter van omwonenden. Zijns inziens ontbreekt dan ook de noodzaak ten aanzien van dit aspect voorschriften aan de vergunning te verbinden.

2.11.2. Ingevolge het aan de oprichtingsvergunning van 13 juli 2000 verbonden voorschrift 8B.1 moeten alle activiteiten binnen de inrichting op een zodanige wijze plaatsvinden dat hierdoor geen stofhinder buiten de inrichting wordt ondervonden.

2.11.3. Naar het oordeel van de Afdeling verzet de aard van de verandering en de aard van dit voorschrift zich er niet tegen dat dit voorschrift tevens van toepassing is op de aangevraagde verandering. Aannemelijk is, gelet op het verhandelde ter zitting, dat het shredderen en de opslag van bomen en takken nauwelijks stuifgevoelige activiteiten zijn. Verder is ter zitting gebleken dat de shredder aan de bron is overkapt. De Afdeling ziet, het voorgaande in aanmerking genomen en gelet op de situering van de shredder, geen aanleiding voor het oordeel dat ten gevolge van de thans vergunde uitbreiding van de activiteiten zonder nadere voorzieningen niet aan voorschrift 8B.1 kan worden voldaan.

Gelet op het voorgaande is evenmin aannemelijk dat ter plaatse van woningen van derden gevaar optreedt voor de volksgezondheid. Verweerder heeft derhalve terecht geoordeeld dat nadere voorschriften niet nodig zijn ter bescherming van het milieu.

Het beroep is in zoverre ongegrond.

2.12. Gelet op het vorenstaande is het beroep ongegrond.

2.13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, Voorzitter, en mr. J.R. Schaafsma en mr. Ch.W. Mouton, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.G.P. Oudenaller, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Oudenaller

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2004

179-320-372.