Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO5676

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-03-2004
Datum publicatie
17-03-2004
Zaaknummer
200301496/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 29 juni 2001 hebben de coördinator van de Vooropleiding Dans van Fontys Dansacademie te Tilburg en de coördinator van het Trichter College te Maastricht appellante meegedeeld dat het niet mogelijk is om haar [dochter] te bevorderen en hebben zij haar het advies gegeven haar dochter met de vooropleiding dans te laten stoppen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200301496/1.

Datum uitspraak: 17 maart 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 24 januari 2003 in het geding tussen:

appellante

en

het College van beroep voor de examens Fonteys Hogescholen.

1. Procesverloop

Bij brief van 29 juni 2001 hebben de coördinator van de Vooropleiding Dans van Fontys Dansacademie te Tilburg en de coördinator van het Trichter College te Maastricht appellante meegedeeld dat het niet mogelijk is om haar [dochter] te bevorderen en hebben zij haar het advies gegeven haar dochter met de vooropleiding dans te laten stoppen.

Bij besluit van 22 november 2001 heeft het College van beroep voor de examens Fonteys Hogescholen (hierna: het College van beroep voor de examens) het daartegen door appellante ingestelde beroep aangemerkt als te zijn gericht tegen een beslissing als bedoeld in artikel 7.61, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (hierna: de WHW), het beroep gegrond verklaard, de beslissing van 29 juni 2001 vernietigd, en bepaald dat er een nieuwe beslissing dient te worden genomen met inachtneming van het besluit van 22 november 2001.

Bij uitspraak van 24 januari 2003, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Maastricht (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 maart 2003, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 7 april 2003. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 4 juni 2003 heeft het College van beroep voor de examens van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellante. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 februari 2004, waar appellante in persoon, en het College van beroep voor de examens, vertegenwoordigd door mr. P.L.J.M. van Dun, advocaat te Tilburg, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Blijkens de Studiegids VO Maastricht 2001-2002 is de Vooropleiding Dans Maastricht geen HBO-opleiding, maar een voorbereiding op de zware HBO-studie voor danser of dansdocent. Daartoe kent de Fontys Dansacademie een circuit van eigen vooropleidingen, waarvan zich vestigingen bevinden in Tilburg (basis- en voortgezet onderwijs) en Maastricht (basis- en voortgezet onderwijs). Talentvolle kinderen krijgen daar beroepsgerichte danslessen van een hoog gekwalificeerd internationaal docententeam. Deze lessen worden naast de reguliere lessen van het

basis- en voortgezet onderwijs gegeven. Gedurende de fase van het voortgezet onderwijs wordt nauw samengewerkt met - onder meer - het Trichter College, waarmee in 1991 een samenwerkingsovereenkomst is gesloten.

Volgens een voorlichtingsfolder wordt de Vooropleiding Dans Maastricht ‘Vooropleiding’ genoemd, omdat het hoger beroepsonderwijs nog moet volgen en geeft een positieve afsluiting van die opleiding automatisch toegang tot het HBO van de Fontys Dansacademie. De inschrijfvoorwaarden voor deze vooropleiding zijn vermeld in de uitgave “Inschrijfvoorwaarden HBO 2000/2001 van Fontys Hogescholen”.

2.2. Appellante betoogt dat, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, het besluit van het College van beroep voor de examens niet met de nodige zorgvuldigheid tot stand is gekomen en dat haar dochter de toegang voor het volgende studiejaar van de vooropleiding niet mocht worden ontzegd.

2.3. Ingevolge artikel 16.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de WHW wordt, voorzover in deze wet niet anders is bepaald, op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet de Wet op het hoger beroepsonderwijs (hierna: WHBO) ingetrokken.

Ingevolge artikel 16.1, tweede lid, van de WHW kunnen de op grond van de titels 1 tot en met 3 en 4, eerste en tweede paragraaf, van dit hoofdstuk gehandhaafde bepalingen van de bij of krachtens de in het eerste lid genoemde wetten en besluiten vastgestelde regelingen worden gewijzigd. Ingevolge artikel 16.7, eerste lid, van de WHW - zoals die gold van 23 november 1994 tot 31 december 1999 en voorzover thans van belang - blijft het op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet bepaalde bij of krachtens artikel 101 van de WHBO van toepassing op hogescholen met opleidingen die voortkomen uit studierichtingen dan wel samengestelde studierichtingen als bedoeld in artikel 101, eerste lid, van de WHBO.

2.3.1. Ingevolge artikel 101, eerste lid, van de WHBO kunnen aan instellingen met tot het hoger kunstonderwijs behorende studierichtingen dan wel met samengestelde studierichtingen die mede tot het hoger kunstonderwijs behoren, voorbereidende perioden kunstonderwijs ten behoeve van die studierichting worden verbonden. Een voorbereidende periode kan in voltijdse of in deeltijdse vorm worden gegeven.

Ingevolge artikel 101, derde lid, van de WHBO worden bij algemene maatregel van bestuur, de Onderwijsraad gehoord, voor de voorbereidende perioden voorschriften vastgesteld omtrent het voltijds of deeltijds karakter daarvan, de toelating, de verwijdering op grond van onvoldoende geschiktheid, de disciplinaire maatregelen, de doelstelling, de cursusduur, de vakanties, de inschrijving, het bedrag dat voor de inschrijving is verschuldigd alsmede de vrijstelling daarvan, en kunnen voorschriften worden vastgesteld omtrent de toelatingseisen en de inschrijvingsduur. Bij deze algemene maatregel van bestuur kunnen tevens voorschriften worden vastgesteld omtrent het aantal lessen dat de deelnemers gedurende de cursusduur van de voorbereidende periode kunnen volgen.

2.3.2. Het Uitvoeringsbesluit WHBO is de in artikel 101, derde lid, van de WHBO bedoelde algemene maatregel van bestuur.

Ingevolge artikel E.3. van het Uitvoeringsbesluit WHBO - voorzover thans van belang - beslist het bevoegd gezag van de instelling met inachtneming van de artikelen E.14. en E.16.

Ingevolge artikel E.6., eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit WHBO dient degene die met het oog op een bepaald studiejaar is toegelaten tot een voorbereidende periode, zich voor dat studiejaar bij de desbetreffende instelling te laten inschrijven als deelnemer.

Ingevolge artikel E.13. van het Uitvoeringsbesluit WHBO bieden de vooropleidende perioden de deelnemers een voorbereiding op het onderwijs in de desbetreffende tot het hoger kunstonderwijs behorende studierichtingen en de samengestelde studierichtingen die mede tot het hoger kunstonderwijs behoren, voorzover het betreft vaardigheden die van belang zijn voor het met vrucht volgen van het onderwijs in deze studierichtingen.

Ingevolge artikel E.16., eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit WHBO kan tot de vooropleidende periode klassiek ballet slechts worden toegelaten degene die de leeftijd van tien jaren heeft bereikt en een door het bevoegd gezag in te stellen toelatingsonderzoek met goed gevolg heeft afgelegd.

Ingevolge artikel E.16., tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit WHBO wordt bij het toelatingsonderzoek, bedoeld in het eerste lid, in ieder geval getoetst of de aspirant-deelnemer beschikt over fysieke geschiktheid en voldoende talent voor het klassiek ballet.

2.3.3. Titel III van de WHBO luidt “Inschrijving en rechtsbescherming ingeschrevenen”.

Ingevolge artikel 37, eerste lid, van de WHBO geschiedt de inschrijving als student bij een instelling voor het deelnemen aan het onderwijs in een studierichting of een opleiding van de tweede fase ter voorbereiding op het afleggen van een of meer examens daarin.

Ingevolge artikel 37, tweede lid, van de WHBO staat de inschrijving als student voor een studierichting of een opleiding van de tweede fase gedurende de bij of krachtens artikel 38 onderscheidenlijk artikel 40 toegestane inschrijvingsduur open voor een ieder die voldoet aan de bij of krachtens deze wet met betrekking tot die opleiding gestelde vooropleidings- of toelatingseisen.

In Afdeling 2 van Titel III van de WHBO worden rechten, verplichtingen en rechtsbescherming van studenten en extraneï geregeld.

2.3.4. Titel 4 van Hoofdstuk 7 van de WHW regelt de rechtsbescherming van studenten en extraneï.

2.4. De Afdeling overweegt dat op grond van het bovenstaande en de artikelen E.6., E.13. en E.16. van het Uitvoeringsbesluit WHBO, gelezen in samenhang met artikel 37 van de WHBO en mede gelet op het bepaalde in Afdeling 2 van Titel III van de WHBO, de dochter van appellante geen student is in de zin van de WHBO, zodat niet tot het oordeel kan worden gekomen dat zij op grond van die bepalingen de rechtsbescherming genoot, zoals in de WHBO vermeld. Gelet op het bepaalde in Hoofdstuk 16 van de WHW, brengt deze wet daarin geen verandering.

2.4.1. Nu Titel 4 van Hoofdstuk 7 van de WHW evenmin van toepassing is op de onderhavige weigering tot toelating, dient te worden geoordeeld dat het College van beroep voor de examens, als bedoeld in artikel 7.60, van de WHW, noch het College van beroep voor het hoger onderwijs en/of het bijzonder onderwijs, als bedoeld in de artikelen 7.66 en 7.68, van de WHW, bevoegd is te oordelen over een geschil als hier aan de orde. De rechtbank heeft dit miskend.

2.5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, moet het aldaar ingestelde beroep gegrond worden verklaard, de beslissing van het College van beroep voor de examens worden vernietigd, en het College onbevoegd worden verklaard om van het beroep kennis te nemen.

2.6. Het College van beroep voor de examens dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank te Maastricht van 24 januari 2003, AWB 01/1756 BESLU ZWA;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het College van Beroep voor de examens Fonteys Hogescholen van 22 november 2001;

V. verklaart het College van beroep voor de examens Fonteys Hogescholen onbevoegd van het beroep kennis te nemen;

VI. veroordeelt het College van beroep voor de examens Fonteys Hogescholen in de door appellante in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van

€ 253,20; het bedrag dient door Fontys Hogeschool voor de Kunsten te worden betaald aan appellante;

VII. gelast dat Fontys Hogeschool voor de Kunsten aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht (€ 330,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Voorzitter, en mr. J.H.B. van der Meer en mr. J.A.M. van Angeren, Leden, in tegenwoordigheid van mr. W.C.M. Ramsahai, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk w.g. Ramsahai

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2004

-401.