Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO5294

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-03-2004
Datum publicatie
10-03-2004
Zaaknummer
200400585/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 december 2003, kenmerk 2154 AenB, heeft verweerder aan verzoekster een last onder dwangsom als geregeld in artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht opgelegd. De dwangsom is vastgesteld op € 500,00 per keer dat zonder daartoe verleende vergunning activiteiten met modelvliegtuigen worden ontplooid binnen de inrichting van verzoekster op een perceel aan de Haarweg te Tiendeveen, kadastraal bekend gemeente Midden-Drenthe, sectie U, nummers 207 (gedeeltelijk) en 218 en in de omgeving daarvan. Het maximum waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd is vastgesteld op € 5000,00.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200400585/2.

Datum uitspraak: 4 maart 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

de vereniging "Regionale Modelvliegvereniging Phoenix", gevestigd te Tiendeveen,

verzoekster,

en

het college van burgemeester en wethouders van Midden-Drenthe,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 10 december 2003, kenmerk 2154 AenB, heeft verweerder aan verzoekster een last onder dwangsom als geregeld in artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht opgelegd. De dwangsom is vastgesteld op € 500,00 per keer dat zonder daartoe verleende vergunning activiteiten met modelvliegtuigen worden ontplooid binnen de inrichting van verzoekster op een perceel aan de Haarweg te Tiendeveen, kadastraal bekend gemeente Midden-Drenthe, sectie U, nummers 207 (gedeeltelijk) en 218 en in de omgeving daarvan. Het maximum waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd is vastgesteld op € 5000,00.

Tegen dit besluit heeft verzoekster beroep ingesteld. Met toepassing van artikel 6:15, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is dit beroepschrift als bezwaarschrift doorgezonden aan verweerder.

Bij brief van 19 januari 2004, bij de Raad van State ingekomen op 20 januari 2004, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 24 februari 2004, waar verzoekster, vertegenwoordigd door J.A. van Goor en K. Hofstra, gemachtigden, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. J.J. de Muinck, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Niet in geschil is dat de inrichting van verzoekster ten tijde van het nemen van het bestreden besluit in werking was zonder de vereiste vergunning krachtens de Wet milieubeheer, zodat verweerder bevoegd was tot het toepassen van bestuurlijke handhavingsmiddelen.

2.2. Verzoekster voert aan dat er een vergunningaanvraag is ingediend en dat deze is aangevuld, onder meer met het rapport van Altenburg en Wymenga “Ecologische aspecten van een modelvliegterrein bij het Mantingerzand” van 30 oktober 2003, nummer 367pho.03 (hierna: het ecologisch rapport). Verzoekster is van mening dat uit de door haar ingediende stukken blijkt dat vergunningverlening mogelijk is en dat verweerder hierom niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot het toepassen van bestuurlijke handhavingsmiddelen gebruik heeft kunnen maken.

2.2.1. Verweerder stelt dat hij het ecologisch rapport, dat volgens hem van essentieel belang is voor de beoordeling van de aanvraag, in de definitieve versie op 21 november 2003 heeft ontvangen en dat hij de aanvraag met de aanvullingen daarop in behandeling heeft. In verband met het beoordelen van het ecologisch rapport, heeft verweerder advies gevraagd aan het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, regio Noord. Verweerder verwacht het advies medio maart 2004 te ontvangen. Aangezien er nog geen concreet zicht bestaat op vergunningverlening, heeft verweerder besloten tot het toepassen van bestuurlijke handhavingsmiddelen.

2.2.2. De inrichting grenst aan het Mantingerzand. Uit voornoemd ecologisch rapport blijkt dat dit gebied bijzondere natuurwaarden herbergt en dat de activiteiten binnen de inrichting in de periode van half maart tot half juli nesten verstoren in het gebied. Aangezien verweerder, in afwachting van het door hem aangevraagde advies, niet voor de start van het broedseizoen op de aanvraag kan beslissen en het vliegen gedurende het broedseizoen voorshands niet toelaatbaar lijkt te zijn, ziet de Voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen.

2.3. Uit het vorenstaande volgt dat het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening moet worden afgewezen.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J. Heijerman, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll w.g. Heijerman

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2004

255-441.