Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO5281

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-03-2004
Datum publicatie
10-03-2004
Zaaknummer
200307881/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 februari 2003 heeft de gemeenteraad van Hof van Twente, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 24 december 2002, vastgesteld het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Grondhuttenweg".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2004/2635
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200307881/2.

Datum uitspraak: 1 maart 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

en

college van gedeputeerde staten van Overijssel,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 februari 2003 heeft de gemeenteraad van Hof van Twente, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 24 december 2002, vastgesteld het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Grondhuttenweg".

Verweerder heeft bij zijn besluit van 23 september 2003, kenmerk RWB/2003/761, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit heeft onder meer verzoeker bij brief van 25 november 2003, bij de Raad van State ingekomen op 25 november 2003, beroep ingesteld.

Bij brief van 26 november 2003, bij de Raad van State ingekomen op 27 november 2003, heeft verzoeker de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 23 januari 2004, waar verzoeker in persoon en bijgestaan door mr. J.A. Wols, en verweerder, vertegenwoordigd door O. Westra zijn verschenen.

Voorts is de gemeenteraad van Hof van Twente, vertegenwoordigd door

A. ten Braak daar gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Verzoeker stelt in zijn verzoekschrift onder meer dat anders dan in het raadsbesluit is vermeld, in het ter inzage gelegde plan wijzigingen zijn aangebracht in de planvoorschriften.

2.3. In de publicatie van het vastgestelde plan is vermeld dat het plan gewijzigd is vastgesteld “met dien verstande dat een reactie van het waterschap Regge en Dinkel aanleiding heeft gegeven tot een enkele kleine aanpassing van het plan”. Voorts is vermeld dat een ieder tegen deze wijzigingen bedenkingen kan indienen.

Niet in geding is dat het vastgestelde plan op meer onderdelen is gewijzigd ten opzichte van het ontwerpplan.

2.4. De Voorzitter overweegt dat ingevolge artikel 3:12, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht in samenhang met artikel 27, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in de kennisgeving van de terinzagelegging van het vastgestelde plan dient te worden vermeld wie daartegen schriftelijk bedenkingen bij gedeputeerde staten kan inbrengen.

De Voorzitter is van oordeel dat de publicatie in dit geval de indruk wekt dat een limitatieve opsomming van de aangebrachte wijzigingen is gegeven, terwijl dat niet zo is. Niet valt uit te sluiten dat betrokkenen hierdoor hebben afgezien van het indienen van bedenkingen, waartoe zij mogelijk wel zouden hebben besloten indien in de publicatie zou zijn aangegeven op welke onderdelen het plan eveneens is gewijzigd.

Nu blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet op de Ruimtelijke Ordening de voorgeschreven eisen ter zake van de terinzagelegging en de kennisgeving daarvan als minimale waarborgen voor de rechtzoekenden dienen te worden beschouwd, waarvan strikte naleving noodzakelijk is, ziet de Voorzitter aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

Hetgeen verzoeker voor het overige heeft aangevoerd behoeft om die reden geen bespreking meer.

2.5. Verweerder dient op de navolgende wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van college van gedeputeerde staten van Overijssel van 23 september 2003, RWB/2003/761;

II. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Overijssel in de door verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de provincie Overijssel te worden betaald aan verzoeker;

III. gelast dat de provincie Overijssel aan verzoeker het door hem voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht (€ 116,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R.H. Lauwaars, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. W.H. Tulmans, ambtenaar van Staat.

w.g. Lauwaars w.g. Tulmans

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 maart 2004

370-381