Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO5263

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-03-2004
Datum publicatie
10-03-2004
Zaaknummer
200306620/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 augustus 2003 heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een loon- en aannemingsbedrijf in de agrarische sector op het perceel [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 21 augustus 2003 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2004, 69K
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200306620/1.

Datum uitspraak: 10 maart 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Eibergen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 augustus 2003 heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een loon- en aannemingsbedrijf in de agrarische sector op het perceel [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 21 augustus 2003 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 23 september 2003, bij de Raad van State ingekomen op 30 september 2003, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 14 oktober 2003.

Bij brief van 4 november 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 februari 2004, waar appellanten in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door T. Westendorp en J.M. Grotestam, beiden ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is vergunninghouder, vertegenwoordigd door

[gemachtigde], als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a. degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b. de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c. degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d. belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

Appellanten hebben de grond inzake de kadastrale sectienummers niet als bedenking tegen het ontwerp van het besluit ingebracht. Verder is het bepaalde onder b en c hier niet van toepassing. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan appellanten redelijkerwijs niet kan worden verweten op dit punt geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep in zoverre niet-ontvankelijk is.

2.2. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.3. Appellanten stellen dat ten onrechte vergunning is verleend voor de opslag van bermmaaisel, slootafval en snoeihout, daar deze stoffen niet verwerkt mogen worden. Zij vrezen dat de voorschriften die in dit verband aan de vergunning zijn verbonden niet zullen worden nageleefd, dan wel niet zullen worden gehandhaafd.

2.3.1. Het systeem van de Wet milieubeheer brengt met zich dat moet worden beschikt op een aanvraag zoals deze is ingediend. Gelet hierop dient verweerder de aangevraagde activiteiten tot uitgangspunt te nemen. De tussenopslag van sloot- en bermmaaisel behoort tot de aangevraagde activiteiten, waarvoor vergunning is verleend. De opslag van snoeihout en het verwerken van de genoemde stoffen is noch vergund, noch aangevraagd. Aan de vergunning is onder meer voorschrift 2.3.1 verbonden, waarin is bepaald dat binnen de inrichting geen compostering van organische (afval)stoffen mag plaatsvinden. Voorts is in het aan de vergunning verbonden voorschrift 2.3.6 bepaald dat het opgeslagen bermmaaisel binnen een termijn van 21 dagen afgevoerd moet worden buiten de inrichting.

Voorzover appellanten vrezen dat de aan de vergunning verbonden voorschriften niet worden nageleefd of niet worden gehandhaafd, overweegt de Afdeling dat deze beroepsgrond geen betrekking heeft op de rechtmatigheid van de ter beoordeling staande vergunning en om die reden niet kan slagen. De Algemene wet bestuursrecht voorziet overigens in de mogelijkheid tot het treffen van maatregelen die strekken tot het afdwingen van de naleving van de voorschriften die aan de vergunning zijn verbonden.

2.4. Appellanten betogen dat verweerder bij het nemen van het bestreden besluit ten onrechte niet de ligging van de inrichting in de nabijheid van een kikkerpoel heeft betrokken, welke het leefmilieu vormt van de boomkikker.

2.4.1. Verweerder stelt dat het gebied waarin de inrichting en de kikkerpoel zijn gelegen niet is aangemeld in het kader van de Habitatrichtlijn. De kikkerpoel, gelegen op meer dan 100 meter afstand van de inrichting, is aangelegd in het kader van het Euregio Landbouw- en landschapsproject ter bevordering van de boomkikker, aldus verweerder. Hij betoogt dat de eventuele nadelige gevolgen voor de boomkikker, voorzover deze onder zijn bevoegdheid in het kader van de Wet milieubeheer vallen, met name zien op de milieuaspecten geluid en bodem.

2.4.2. De Afdeling overweegt dat het gebied waarin de kikkerpoel is gelegen niet staat vermeld op een lijst als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna - Pb L 206 (hierna: de Habitatrichtlijn), die aan de Commissie is toegezonden. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat dit gebied in aanmerking zou kunnen komen voor aanwijzing als habitatgebied.

2.4.3. Vaststaat dat de kikkerpoel het leefgebied vormt van de boomkikker. De boomkikker (hyla arborea) is opgenomen in bijlage IV, letter a), bij de Habitatrichtlijn, als diersoort van communautair belang die strikt moet worden beschermd. De Afdeling stelt voorop dat appellanten hun stelling dat het in werking zijn van de inrichting negatieve gevolgen heeft voor de boomkikker, niet nader hebben gestaafd of geconcretiseerd. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de negatieve gevolgen voor de boomkikker zeer beperkt zijn. Volgens hem doen de nadelige gevolgen voor de boomkikker zich niet in zodanige mate voor dat daarom nadere voorschriften aan de milieuvergunning hadden moeten worden verbonden of de milieuvergunning had moeten worden geweigerd. Gelet op de aard van de aangevraagde en vergunde activiteiten, de ter zake aan de vergunning verbonden voorschriften en gezien de afstand tot de inrichting heeft verweerder zich in redelijkheid op dit standpunt kunnen stellen. Deze beroepsgrond faalt.

2.5. Appellanten vrezen tot slot voor geluidhinder ten gevolge van het in werking zijn van de inrichting. Zij voeren aan dat verweerder ten onrechte de Handreiking industrielawaai tot uitgangspunt heeft genomen en er geen rekening mee heeft gehouden dat de inrichting is gelegen in het buitengebied.

2.5.1. Ter voorkoming dan wel beperking van geluidoverlast heeft verweerder onder meer de voorschriften 5.1.4 en 5.1.5 aan de vergunning verbonden, waarin grenswaarden voor het langtijdgemiddeld geluidniveau, respectievelijk het piekgeluidniveau zijn neergelegd. Het langtijdgemiddeld geluidniveau (LAR, LT) vanwege de inrichting mag ter plaatse van immissiepunt 2 (Rekkense Binnenweg 43) en immissiepunt 4 (100 meter vanaf de inrichting) zoals genoemd in het akoestisch rapport van 31 juli 2002, nummer 99.157, niet meer bedragen dan 40, 35 en 30 dB(A) gedurende respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. De grenswaarden voor het piekgeluidniveau zijn voor dezelfde immissiepunten en perioden gesteld op 60, 55 en 53 dB(A).

2.5.2. Verweerder heeft bij de invulling van de beoordelingsvrijheid voor het aspect geluidhinder hoofdstuk 4 en hoofdstuk 3, paragraaf 3.2 van de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (hierna: de Handreiking) tot uitgangspunt genomen. Dit is niet in strijd met het recht.

In hoofdstuk 4 wordt, voorzover hier van belang, voor nieuwe inrichtingen aanbevolen om de richtwaarden voor woonomgevingen te hanteren. Verweerder heeft de omgeving gekwalificeerd als landelijke omgeving, waarvoor als richtwaarden 40, 35 en 30 dB(A) gelden voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat verweerder van een onjuiste omgevingscategorie is uitgegaan. Vaststaat dat de in voorschrift 5.1.4 gestelde geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau overeenkomen met de in hoofdstuk 4 van de Handreiking voor deze omgevingscategorie aanbevolen richtwaarden.

Piekgeluiden worden volgens de Handreiking bij voorkeur bepaald op 10 dB(A) boven de getalswaarde voor de grenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau, doch maximaal op 70, 65 en 60 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Vaststaat dat de in voorschrift 5.1.5 opgelegde maximale geluidgrenswaarden lager zijn dan de grenswaarden die in de Handreiking als maximaal aanvaardbaar zijn aangemerkt.

Naar het oordeel van de Afdeling heeft verweerder zich, gezien het door hem gehanteerde beoordelingskader, dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de in de voorschriften 5.1.4 en 5.1.5 gestelde geluidgrenswaarden toereikend zijn om geluidhinder te voorkomen dan wel in voldoende mate te beperken. Gesteld noch gebleken is dat deze geluidgrenswaarden niet kunnen worden nageleefd.

2.6. Gelet op het vorenstaande dient het beroep, voorzover ontvankelijk, ongegrond te worden verklaard.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk voorzover het de grond inzake de kadastrale sectienummers betreft;

II. verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, Voorzitter, en mr. Ch.W. Mouton en drs. H. Borstlap, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Fransen, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt w.g. Fransen

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2004

407.