Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO5238

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-03-2004
Datum publicatie
10-03-2004
Zaaknummer
200305742/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 juli 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Sint Anthonis (hierna: het college) appellante aangeschreven, onder aanzegging van bestuursdwang, om binnen twee weken de bewoning van de toercaravan op de openbare weg nabij de woonwagenstandplaats [locatie] te Sint Anthonis (hierna: standplaats) te beëindigen en deze toercaravan te verwijderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200305742/1.

Datum uitspraak: 10 maart 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Sint Anthonis,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 11 juli 2003 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Sint Anthonis.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 juli 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Sint Anthonis (hierna: het college) appellante aangeschreven, onder aanzegging van bestuursdwang, om binnen twee weken de bewoning van de toercaravan op de openbare weg nabij de woonwagenstandplaats [locatie] te Sint Anthonis (hierna: standplaats) te beëindigen en deze toercaravan te verwijderen.

Bij besluit van 19 november 2002 heeft het college het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard onder aanvulling van de motivering van het primaire besluit.

Bij uitspraak van 11 juli 2003, verzonden op 16 juli 2003, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 26 augustus 2003, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 30 november 2003 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 februari 2004, waar appellante in persoon, bijgestaan door mr. C.J. Driessen, advocaat te Beers, en het college, vertegenwoordigd door mr. R.H.E. Partouns en J.M.A. van der Burgt, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Vooropgesteld wordt dat in het kader van deze procedure uitsluitend aan de orde is de bij de beslissing op bezwaar gehandhaafde aanschrijving met betrekking tot de op de openbare weg geplaatste toercaravan. De wijze van uitvoering van bestuursdwang ten aanzien van deze toercaravan alsmede de op 21 augustus, 3 september en 19 september 2002 verwijderde caravans zijn niet aan de orde. Daarbij wordt opgemerkt dat het bestuursdwangbesluit van 30 juli 2002 aan de verwijdering van de laatstgenoemde caravans niet ten grondslag lag. Bij de beslissing op bezwaar heeft het college weliswaar aangegeven dat de aanschrijving van 30 juli 2002 mede moet worden gelezen als strekkende tot het verwijderd houden van caravans in de toekomst, maar deze aanvulling van de motivering kan er niet toe leiden dat de grondslag van het primaire besluit wordt gewijzigd, zoals ook de voorzieningenrechter terecht heeft overwogen.

2.2. Op de standplaats rust ingevolge het bestemmingsplan “Woonwagenterrein St. Anthonis-Hoefstraat” de bestemming “woonwagenerf”. De openbare (toegangs)weg naar onderhavige standplaats heeft de bestemming “weg of pad”.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn de gronden die op de plankaart zijn aangewezen voor “woonwagenerf” bestemd voor woondoeleinden in de vorm woonwagens.

Ingevolge artikel 8, tweede lid, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, mogen op gronden met de bestemming “woonwagenerf” ten hoogste vier woonwagens worden geplaatst met daarbij voor elke woonwagen ten hoogste twee bijgebouwen.

Ingevolge artikel 8, vierde lid, van de planvoorschriften is het verboden de gronden met de bestemming “woonwagenerf” te gebruiken als standplaats voor meer dan vier woonwagens.

Ingevolge artikel 10, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de gronden die op de plankaart zijn aangewezen voor “weg of pad” bestemd voor verkeer- en/of parkeerruimten.

Ingevolge artikel 10, derde lid, onder a, van de planvoorschriften is het verboden de gronden met de bestemming ”weg of pad” te gebruiken in strijd met de bestemming, waarbij onder strijdig gebruik in ieder geval wordt verstaan een gebruik als standplaats voor woonwagens en caravans.

2.3. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de toercaravan ten tijde van het primaire besluit was geplaatst op de (openbare) toegangsweg naar de standplaats. Deze toegangsweg heeft de bestemming “weg of pad”. Ingevolge artikel 10, derde lid, onder a, van de planvoorschriften is het plaatsen van een toercaravan op deze gronden in strijd is met de bestemming. Gelet hierop heeft de voorzieningenrechter terecht overwogen dat het college bevoegd was om handhavend op te treden.

2.4. Alleen in bijzondere gevallen kan een bestuursorgaan afzien van handhavend optreden tegen een illegale situatie.

2.5. Het feit dat ten tijde van de uitvoering van het besluit tot toepassing van bestuursdwang de toercaravan reeds naar de standplaats was verplaatst, welke grond de bestemming “woonwagenerf” heeft, kan niet leiden tot het door appellante gewenste resultaat. De voorzieningenrechter heeft met juistheid overwogen dat de toercaravan niet kon worden aangemerkt als een (bij)gebouw. Appellante had ook geen aanvraag om bouwvergunning ten behoeve van een bijgebouw bij het college ingediend. Pas op 21 april 2003, derhalve na de beslissing op bezwaar, is appellante tot indiening van een aanvraag van die strekking overgegaan. Ten tijde van de beslissing op bezwaar bestond derhalve geen zicht op legalisering van de toercaravan. De voorzieningenrechter heeft dan ook terecht geen bijzondere omstandigheden aanwezig geacht die zich tegen handhaving zouden verzetten.

2.6. De slotsom is dan ook dat niet staande kan worden gehouden dat het college niet in redelijkheid tot handhaving heeft kunnen besluiten.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C.E.C.M. van Roosmalen, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink w.g. Van Roosmalen

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2004

53-406.