Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO5230

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-03-2004
Datum publicatie
10-03-2004
Zaaknummer
200305624/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 november 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rhenen (hierna: het college) appellant aangeschreven, onder aanzegging van bestuursdwang, om de aangebrachte verharding en verhoging van de [weg] over een lengte van ca. 80 m ter hoogte van het woonhuis van appellant aan de [locatie] te [plaats] ongedaan te maken en de weg uiterlijk 8 december 2002 weer (zoveel mogelijk) in de oude toestand terug te brengen volgens de in dit besluit beschreven methode.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2005/2
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200305624/1.

Datum uitspraak: 10 maart 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht van 18 juli 2003 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Rhenen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 november 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rhenen (hierna: het college) appellant aangeschreven, onder aanzegging van bestuursdwang, om de aangebrachte verharding en verhoging van de [weg] over een lengte van ca. 80 m ter hoogte van het woonhuis van appellant aan de [locatie] te [plaats] ongedaan te maken en de weg uiterlijk 8 december 2002 weer (zoveel mogelijk) in de oude toestand terug te brengen volgens de in dit besluit beschreven methode.

Bij besluit van 20 mei 2003 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 juli 2003, verzonden op 23 juli 2003, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 21 augustus 2003, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 1 oktober 2003. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 4 november 2003 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 februari 2004, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. L. de Kok, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. J.H.P. Hofs en M.R. Prins, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De [weg] waarop de verharding en verhoging zijn aangebracht is gelegen in het bestemmingsplan "Buitengebied". Het gebied waarin deze weg is gelegen heeft daarin de bestemming "Agrarisch gebied met bijzondere landschappelijke kenmerken (Al)" met de nadere aanduiding “gebied met veel reliëf (r)”.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, onder a, van de planvoorschriften, voorzover hier van belang, zijn de als zodanig aangewezen gronden mede bestemd voor het behoud en herstel van de ter plaatse voorkomende archeologische waarde dan wel van de samenhang van de landschappelijke patroonkenmerken die daar blijkens de aanduidingen op de kaart voorkomen.

Ingevolge artikel 4, negende lid, aanhef en onder A, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, is het verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning) op of in gronden met de aanduiding “gebied met veel reliëf (r)” de navolgende werken, geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden uit te voeren, te doen of te laten uitvoeren:

a. egaliseren, afgraven of ophogen van gronden;

b. aanleggen van wegen, paden, parkeergelegenheden en andere oppervlakteverhardingen van meer dan 100 m².

Ingevolge artikel 4, tiende lid, van de planvoorschriften, voorzover hier relevant, is het onder het negende lid vervatte verbod niet van toepassing op werken en werkzaamheden binnen het kader van het normale onderhoud, alsmede voor werken en werkzaamheden van zeer ondergeschikte betekenis en voor werken en werkzaamheden binnen de op de kaart aangegeven bouwvlakken.

Ingevolge artikel 4, elfde lid, van de planvoorschriften zijn werken of werkzaamheden als bedoeld in het negende lid slechts toelaatbaar indien door die werken of werkzaamheden dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen, een of meer waarden of functies van de in dat lid bedoelde gronden, welke het plan beoogt te beschermen, niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast dan wel de mogelijkheden voor het herstel van die waarden of functies niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind.

2.2. Appellant betoogt allereerst dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat de aangebrachte verharding en verhoging van de [weg] niet aanlegvergunningplichtig is. Volgens appellant betreft het hier een bestaande weg die niet onder het woord “gronden” valt, nu artikel 4, negende lid, aanhef en onder A, sub b, van de planvoorschriften uitdrukkelijk spreekt over wegen, paden etcetera. Bovendien moet volgens appellant de aangebrachte verharding en verhoging als normaal onderhoud worden beschouwd zodat daarvoor ingevolge artikel 9, tiende lid, van de planvoorschriften geen aanlegvergunning is vereist.

2.3. Dit betoog treft geen doel. De voorzieningenrechter heeft terecht overwogen dat onder gronden ook wegen moet worden begrepen. Ingevolge artikel 4, negende lid, aanhef en onder A, van de planvoorschriften is dan ook voor het verharden en verhogen van wegen (of paden) een aanlegvergunning vereist. Dat in het verleden op de [weg] langs het perceel van appellant vanaf de kruising al eens een verharding is aangebracht, laat onverlet dat zulks met de in geding zijnde werkzaamheden opnieuw is geschied. Voorts heeft de voorzieningenrechter met juistheid overwogen dat de aangebrachte verharding en verhoging niet behoort tot het normale onderhoud. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat sprake is van werkzaamheden van zodanige ondergeschikte betekenis, dat daarvoor ingevolge het bestemmingsplan geen aanlegvergunning is vereist. De stelling van appellant dat 45 cm langs de weg, gerekend vanaf het hekwerk waarachter zich het terrein van de woning bevindt, behoort bij het bouwvlak van de woning en dat de verharding en verhoging van deze strook grond vergunningvrij kan geschieden, kan evenmin worden gevolgd. De verharding en de verhoging zijn derhalve zonder de daarvoor vereiste aanlegvergunning aangelegd. Nu sprake was van een overtreding van artikel 4, negende lid, aanhef en onder A van de planvoorschriften, was het college bevoegd om handhavend op te treden.

2.4. Alleen in bijzondere gevallen kan het bestuursorgaan afzien van handhavend optreden tegen de illegale situatie.

2.5. Een bijzonder geval kan worden aangenomen indien concreet zicht bestaat op legalisatie daarvan.

2.6. De voorzieningenrechter heeft terecht en op goede gronden overwogen dat het college genoegzaam heeft gemotiveerd waarom niet alsnog een aanlegvergunning zal worden verleend. Voorts heeft de voorzieningenrechter terecht en op goede gronden overwogen dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat toezeggingen zijn gedaan op basis waarvan appellant erop mocht vertrouwen dat in dit geval geen aanlegvergunning noodzakelijk was dan wel dat van handhaving zou worden afgezien.

2.7. Gelet op het vorenstaande kan niet worden staande gehouden dat het college niet in redelijkheid tot de aanschrijving heeft kunnen komen. De voorzieningenrechter is tot hetzelfde oordeel gekomen.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C.E.C.M. van Roosmalen, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink w.g. Van Roosmalen

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2004

58-406.