Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO5213

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-03-2004
Datum publicatie
10-03-2004
Zaaknummer
200304790/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 oktober 2002 heeft appellant [wederpartij], onder oplegging van een dwangsom, gelast binnen 6 maanden na verzending van dit besluit de met het bestemmingsplan "Buitengebied" (hierna; het bestemmingsplan) strijdige situatie op het perceel [locatie] (hierna: het perceel) te beëindigen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:2
Algemene wet bestuursrecht 5:32
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2004/178
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200304790/1.

Datum uitspraak: 10 maart 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Wervershoof,

appellant,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Alkmaar van 11 juni 2003 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats]

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 oktober 2002 heeft appellant [wederpartij], onder oplegging van een dwangsom, gelast binnen 6 maanden na verzending van dit besluit de met het bestemmingsplan "Buitengebied" (hierna; het bestemmingsplan) strijdige situatie op het perceel [locatie] (hierna: het perceel) te beëindigen.

Bij besluit van 25 maart 2003 heeft appellant het daartegen door [wederpartij] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 juni 2003, verzonden op 12 juni 2003, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Alkmaar (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en bepaald dat appellant een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 16 juli 2003, bij de Raad van State ingekomen op 22 juli 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 24 november 2003 heeft [wederpartij] van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant. Deze zijn aan [wederpartij] toegezonden. Voorts zijn nadere stukken ontvangen van [wederpartij]. Deze zijn aan appellant toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 februari 2004, waar appellant, vertegenwoordigd door F.P.M. Brieffies en mr. W. Smak, beiden ambtenaar der gemeente, en [wederpartij], bijgestaan door mr. W.J.M. Loomans, advocaat te Hoorn, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. [wederpartij] verhuurt de zich op het perceel bevindende bedrijfsgebouwen aan particulieren en bedrijven, waaronder de bedrijven Annapart Home & Garden en Endres B.V. De bedrijfsgebouwen worden gebruikt voor de opslag van goederen, waaronder tuinmeubilair, huisraad, bruin- en witgoed en stenen en voor bouwmateriaalverhuur. Voorts worden de bedrijfsgebouwen gebruikt voor activiteiten van het bedrijf Incotec en voor het stallen van caravans.

Het besluit van 7 oktober 2002, gehandhaafd bij besluit van 25 maart 2003, ziet uitsluitend op eerstgenoemde opslagactiviteiten; het heeft geen betrekking op de activiteiten van het bedrijf Incotec, noch op het stallen van caravans.

2.2. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan, dat op 29 augustus 1995 onherroepelijk is geworden, rust op het perceel een agrarische bestemming.

Ingevolge artikel 24, lid A, van de planvoorschriften is het verboden de gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met de gegeven bestemming.

Ingevolge artikel 26, lid C, van de planvoorschriften mag het gebruik van gronden en bouwwerken dat bestond ten tijde van het onherroepelijk worden van dit plan worden voortgezet of gewijzigd, zolang en voorzover de strijdigheid van dat gebruik ten opzichte van het gebruik overeenkomstig de bestemmingen in dit plan, naar de aard en omvang niet wordt vergroot.

Vast staat dat de opslagactiviteiten in strijd zijn met de op het perceel rustende agrarische bestemming.

2.3. Tussen partijen is in hoger beroep in geschil of [wederpartij] zich met succes op het overgangsrecht, zoals neergelegd in artikel 26, lid C, voornoemd, kan beroepen. Appellant stelt zich op het standpunt dat wraking van de opslagactiviteiten vóór het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan achterwege is gebleven, omdat het daarvan niet op de hoogte was.

Anders dan de voorzieningenrechter heeft overwogen, kan de in geding zijnde overgangsbepaling, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 28 november 1996 in zaak no. H01.95.0475 (BR 1997, 826), niet worden ingeroepen, indien het college, hoewel daartoe bevoegd, de opslagactiviteiten weliswaar niet heeft gewraakt onder de werking van het oude bestemmingsplan, maar het college aannemelijk heeft gemaakt, dat het dat ook niet kon doen, omdat het er niet van op de hoogte was en daarvan ook niet op de hoogte behoefde te zijn.

Vast staat dat appellant reeds vóór het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan op de hoogte was van het stallen van caravans. Voorts is blijkens het verslag van een op 30 september 1997 in opdracht van de gemeente Wervershoof op het perceel uitgevoerde milieucontrole op die datum geconstateerd dat de bedrijven Annapart Home & Garden en Endres B.V. de bedrijfsruimten voor opslag van goederen gebruikten. Zo — gelet op het vorenstaande — al moet worden aangenomen dat appellant niet reeds ten tijde van het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan op de hoogte was van de opslagactiviteiten van deze bedrijven, stelt de Afdeling vast dat appellant eerst in 2002 tot handhaving is overgegaan. Nu appellant niet is opgetreden zodra appellant wel degelijk op de hoogte kon zijn van de mogelijk illegale activiteiten, valt niet op voorhand uit te sluiten dat [wederpartij] zich voor wat betreft in ieder geval de opslagactiviteiten van de bedrijven Annapart Home & Garden en Endres B.V. met vrucht op het overgangsrecht heeft beroepen. Gelet op bovengenoemde omstandigheden valt evenmin op voorhand uit te sluiten dat [wederpartij] voor wat betreft de overige opslagactiviteiten een geslaagd beroep op het overgangsrecht zou kunnen doen. Nader onderzoek had dan ook niet mogen ontbreken. Appellant heeft het besluit van 25 maart 2003, waarbij het dwangsombesluit van 7 oktober 2002 is gehandhaafd, dan ook in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht genomen. De voorzieningenrechter is, zij het deels op andere gronden, tot dezelfde conclusie gekomen.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, met enige verbetering van de gronden waarop zij rust, te worden bevestigd.

2.5. Appellant dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak met enige verbetering van de gronden waarop zij rust;

II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Wervershoof in de door [wederpartij] in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Wervershoof te worden betaald aan [wederpartij].

Aldus vastgesteld door mr. C. de Gooijer, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.

w.g. De Gooijer w.g. Lodder

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2004

17-423.