Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO5208

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-03-2004
Datum publicatie
10-03-2004
Zaaknummer
200304541/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 mei 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Werkendam (hierna: het college) ingestemd met het verzoek van [partij] tot het plaatsen van een hekwerk op de onverharde parallelweg aan de westzijde van rijksweg 27 ter hoogte van km 33.858.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200304541/1.

Datum uitspraak: 10 maart 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 6 juni 2003 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Werkendam.

1. Procesverloop

Bij besluit van 4 mei 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Werkendam (hierna: het college) ingestemd met het verzoek van [partij] tot het plaatsen van een hekwerk op de onverharde parallelweg aan de westzijde van rijksweg 27 ter hoogte van km 33.858.

Bij besluit van 7 november 2002 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 6 juni 2003, verzonden op 10 juni 2003, heeft de rechtbank Breda (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 7 juli 2003, bij de Raad van State ingekomen op 10 juli 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 14 augustus 2003 heeft [partij], die door de Afdeling op de voet van artikel 8:26, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in de gelegenheid is gesteld om als partij aan het geding deel te nemen, een reactie ingediend.

Bij brief van 20 augustus 2003 heeft het college van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 december 2003, waar appellant in persoon en het college, vertegenwoordigd door mr. F. Sterk, ambtenaar bij de gemeente, en [partij] zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1.1, onder A, van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Werkendam (hierna: de APV) wordt in deze verordening onder meer verstaan dan wel mede verstaan onder weg: alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden […] en de – al dan niet met enige beperking – voor het publiek toegankelijke pleinen en open plaatsen, parken, plantsoenen, speelweiden, bossen en andere natuurterreinen, ijsvlakten en aanlegplaatsen voor vaartuigen.

Ingevolge artikel 2.1.5.1, eerste lid, van de APV is het verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders de weg of een weggedeelte te gebruiken anders dan overeenkomstig de bestemming daarvan.

2.2. Het college heeft appellant – wiens perceel achter het hekwerk van [partij] is gelegen aan dezelfde weg - in zijn bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe is - kort samengevat - overwogen dat het weggedeelte, waarop het hekwerk van [partij] is geplaatst, geen openbare weg is in de zin van de Wegenwet, zodat sprake is van een privaatrechtelijke rechtshandeling.

2.3. De rechtbank heeft overwogen dat het betreffende gedeelte van de weg uitsluitend wordt gebruikt door de gebruikers van de aanliggende percelen en daarnaast niet voor een ieder toegankelijk is of toegankelijk is geweest. Voorts is dat gedeelte van de weg ook niet opgenomen in de wegenlegger. Naar het oordeel van de rechtbank kan het weggedeelte dan ook niet als openbare weg in de zin van artikel 4 van de Wegenwet worden aangemerkt, zodat de toestemming van het college om het hekwerk te plaatsen geen toestemming behelst die krachtens publiekrecht is verleend, maar een privaatrechtelijke handeling betreft, verricht namens de gemeente Werkendam. De rechtbank heeft op grond van het voorgaande geoordeeld dat de brief van 4 mei 2001 geen besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb inhoudt, en dat het college appellant terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn bezwaar.

2.4. Blijkens de door het college ter zitting gegeven toelichting op de beslissing op bezwaar behelst de brief van 4 mei 2001 niet louter een privaatrechtelijke toestemming tot het plaatsen van het betreffende hekwerk, maar dient hierin ook het door het college voorgestane standpunt te worden gelezen dat de APV op het verzoek van [partij] tot het plaatsen van het hekwerk niet toepasselijk is en dat [partij] daarvoor derhalve geen publiekrechtelijke vergunning nodig heeft. De Afdeling verstaat de brief van 4 mei 2001 aldus, dat daarin - naast de privaatrechtelijke toestemming - mede is begrepen een rechtsoordeel omtrent de toepasselijkheid van publiekrechtelijke voorschriften, waarvan de toepassing tot de exclusieve bevoegdheid van het college behoort. Dat het college met de brief van 4 mei 2001 een rechtsoordeel over de toepasselijke publiekrechtelijke voorschriften heeft beoogd, vindt ook bevestiging in de brief van 12 juli 2002 van het college aan appellant, waarin in verband met die brief over de mogelijkheid van een bezwaarschrift op grond van de Awb wordt gesproken. Gelet hierop is de brief van 4 mei 2001 mede een publiekrechtelijke rechtshandeling en moet die in zoverre worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Het door appellant ingediende bezwaarschrift wordt geacht mede tegen dit besluit te zijn gericht. Gelet hierop en op het bepaalde in de artikelen 1.1, onder A, van de APV en 2.1.5.1, eerste lid, van de APV moet worden bezien of het betrokken weggedeelte een weg betreft in de zin van de APV. Daarvoor is, anders dan het college en de rechtbank hebben overwogen, niet van belang of dat weggedeelte een openbare weg is in de zin van de Wegenwet. Naar het oordeel van de Afdeling moet op grond van het ter zitting gestelde en het overgelegde fotomateriaal worden aangenomen dat het betrokken weggedeelte een voor het openbaar verkeer openstaande weg is als bedoeld in artikel 1.1, onder A, van de APV. Daarbij is onder meer in aanmerking genomen dat die weg mede de functie heeft van noodweg. Derhalve moet het plaatsen van het hekwerk langs het betrokken weggedeelte vergunningplichtig worden geacht in de zin van artikel 2.1.5.1, eerste lid, van de APV.

Uit het voorgaande volgt dat het college het bezwaar van appellant ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard, zodat de beslissing op bezwaar niet in stand kan blijven. De rechtbank heeft dit miskend. Het college dient bij de nieuw te nemen beslissing op bezwaar, met inachtneming van het bepaalde in artikel 2.1.5.1, vijfde lid, van de APV te bezien of aanleiding bestaat aan [partij] vergunning als bedoeld in

artikel 2.1.5.1, eerste lid, van de APV te verlenen.

2.5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep alsnog gegrond verklaren en de beslissing op bezwaar vernietigen. Het college dient, met inachtneming van hetgeen in onderhavige uitspraak is overwogen, een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.

2.6. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank te Breda van 6 juni 2003, 02/2435 BESLU;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Werkendam van 7 november 2002, kenmerk 6289;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Werkendam in de door appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 117,25; het totale bedrag dient door de gemeente Werkendam te worden betaald aan appellant;

VI. gelast dat de gemeente Werkendam aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep en hoger beroep betaalde griffierecht

(€ 109,00+€ 175,00=€ 284,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.M. van Angeren, Voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. J.E.M. Polak, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Angeren w.g. Zwemstra

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2004

91-391.