Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO5177

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-03-2004
Datum publicatie
10-03-2004
Zaaknummer
200301636/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 april 2001 heeft de raad van de gemeente Zaanstad (hierna: de raad) appellanten op hun verzoek een schadevergoeding op grond van artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) toegekend ten bedrage van ƒ 17.000,00 (€ 7.714,26).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Grondzaken 2004/140
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200301636/1.

Datum uitspraak: 10 maart 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaats], gemeente Zaanstad,

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 27 januari 2003 in het geding tussen:

appellanten

en

de raad van de gemeente Zaanstad.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 april 2001 heeft de raad van de gemeente Zaanstad (hierna: de raad) appellanten op hun verzoek een schadevergoeding op grond van artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) toegekend ten bedrage van ƒ 17.000,00 (€ 7.714,26).

Bij besluit van 30 mei 2002 heeft de raad, overeenkomstig het advies van de Hoor- en Adviescommissie Bezwaarschriften van 22 maart 2002, het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 27 januari 2003, verzonden op 31 januari 2003, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 maart 2003, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brieven van 5 april 2003 en 23 mei 2003. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 17 april 2003, aangevuld bij brief van 16 juli 2003, heeft de raad van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 december 2003, waar [appellant] in persoon, bijgestaan door drs. P. Oosterhof, gemachtigde, en door mr. G.A. Biersteker en mr. R.C. van Wamel, en de raad, vertegenwoordigd door mr. F. Marinus, ambtenaar der gemeente, en mr. drs. L.A. van Montfoort, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 49 van de WRO, voorzover thans van belang, kent de raad, voorzover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van de bepalingen van een bestemmingsplan schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

2.2. Voor de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 49 van de WRO dient te worden bezien of sprake is van een wijziging van het planologische regime waardoor een belanghebbende in een nadeliger positie is komen te verkeren, ten gevolge waarvan hij schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dienen de beweerdelijk schadeveroorzakende planologische maatregelen te worden vergeleken met het voordien geldende planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, doch hetgeen op grond van dat regime maximaal kon worden gerealiseerd, ongeacht de vraag of verwezenlijking daadwerkelijk heeft plaatsgevonden.

2.3. Bij besluit van 17 april 1997 heeft de raad het bestemmingsplan "Willis" vastgesteld. Dit bestemmingsplan is in de plaats gekomen van het voorheen geldende, op 19 oktober 1965 vastgestelde, bestemmingsplan "Uitbreidingsplan in hoofdzaak", zoals aangepast bij de op 14 maart 1985 vastgestelde "Aanvullende bestemmingsplanvoorschriften 1985". Naar aanleiding van de vaststelling van het bestemmingsplan "Willis" hebben appellanten hun verzoek om vergoeding van schade, als bedoeld in artikel 49 van de WRO, voor de beweerdelijk door hen geleden schade bestaande uit waardevermindering van hun perceel, gelegen aan de [locatie], kadastraal bekend als sectie […], nr. […], te [plaats], ten gevolge van het nieuwe bestemmingsplan, bij de raad ingediend.

Ter beoordeling van het verzoek van appellanten heeft de raad het Adviesbureau Van Montfoort, gevestigd te 's-Gravenhage, (hierna: Van Montfoort) verzocht een advies uit te brengen. Van Montfoort heeft dit op 15 februari 2001 gedaan. In zijn advies concludeert Van Montfoort dat alleen sprake is van een planologisch nadeel ten gevolge van een geprojecteerde ontsluitingsweg. De daardoor ontstane schade behoort volgens hem niet ten laste van appellanten te blijven. Overeenkomstig dit advies heeft de raad aan appellanten bij besluit van 26 april 2001 een schadevergoeding van ƒ 17.000,00 (€ 7.714,26) toegekend. In zijn nadere advies van 28 januari 2002 heeft Van Montfoort zijn advies van 15 februari 2001 bevestigd. In zijn beslissing op bezwaar heeft de raad het besluit in primo gehandhaafd.

2.4. Appellanten betogen dat zij schade lijden door verlies aan uitzicht, inbreuk op hun privacy en overlast door een ontsluitingsweg aan de zuidzijde van hun perceel.

2.5. Uit de stukken blijkt, en ter zitting is desgevraagd bevestigd, dat over de hoogte van de schadevergoeding vanwege de ontsluitingsweg geen verschil van mening bestaat tussen partijen, nu de door appellanten ingeschakelde deskundige zich bij het besluit van de raad op dat punt heeft aangesloten. Dat de door appellanten ingeschakelde deskundige tot een hoger bedrag aan schadevergoeding komt, heeft derhalve uitsluitend te maken met de tussen partijen bestaande verschillen van inzicht met betrekking tot de vraag of behalve de ontsluitingsweg ook andere schadefactoren aan de orde zijn.

2.6. Bij de planologische vergelijking, voorzover die verband houdt met hetgeen appellanten overigens hebben aangevoerd, dient te worden uitgegaan van wat in planologisch opzicht maximaal mogelijk was en thans is. Dat kan slechts in uitzonderlijke gevallen anders zijn, met name wanneer realisering daarvan met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kon worden uitgesloten.

Qua bebouwingsmogelijkheden in de directe omgeving van het perceel van appellanten is de rechtbank voor wat betreft de soort bebouwing en de hoogte en oppervlakte ervan, terecht tot het oordeel gekomen dat hetgeen op grond van het bestemmingsplan "Willis" maximaal mogelijk is, geen verslechtering betekent ten opzichte van hetgeen op grond van het voorheen geldende planologische regime maximaal mogelijk was.

Met betrekking tot de gronden waarop ingevolge het uitbreidingsplan in hoofdzaak de bestemming rioolwaterzuiveringsterrein rustte en waarop, voorzover van belang, gebouwen ten dienste van de zuiveringsinstallatie mochten worden gebouwd, overweegt de Afdeling dat realisering daarvan weliswaar niet vastlag, maar dat die realisering, in tegenstelling tot wat appellanten betogen, niet met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kon worden uitgesloten. Evenmin valt in te zien dat milieuwetgeving met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid een beletsel vormde voor bijvoorbeeld de realisering van een kantoor op de gronden voor een rioolwaterzuiveringsinstallatie.

Voorzover appellanten verwijzen naar plannen voor woningbouw ter plaatse, waaraan vanaf 1981 is gewerkt, overweegt de Afdeling dat deze plannen de realisering van bestemmingen die gelijk zijn aan die op grond van het bestemmingsplan "Willis" en door welke bestemmingen appellanten beweerdelijk schade lijden, sedertdien waarschijnlijk maakten. Ware bij de planologische vergelijking uit te gaan van deze situatie, dan zou dit niet tot de conclusie leiden dat sprake is van een voor appellanten planologisch nadeliger situatie. Van een ongerept agrarisch gebied zou ook in dit geval niet kunnen worden uitgegaan.

De conclusie op grond van de planologische vergelijking is dat geen sprake is van een planologisch nadeliger situatie voor appellanten, behoudens de niet in geschil zijnde planologisch nadeliger situatie ten gevolge van de ontsluitingsweg.

2.7. Het door appellanten ingebrachte deskundigenrapport heeft niet aannemelijk gemaakt dat de adviezen van Van Montfoort zodanige gebreken bevatten dat de besluitvorming daarop niet kon worden gebaseerd. Van een onzorgvuldige totstandkoming van de adviezen is niet gebleken. Er bestaat, gelet op het vorenoverwogene, geen aanleiding voor het oordeel dat de raad voor haar besluiten niet mocht uitgaan van de adviezen terzake van Van Montfoort. De rechtbank is eveneens op goede gronden tot dit juiste oordeel gekomen.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. F.P. Zwart, Voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. J.E.M. Polak, Leden, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van Staat.

w.g. Zwart w.g. Groenendijk

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2004

164-424.