Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO5175

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-03-2004
Datum publicatie
10-03-2004
Zaaknummer
200301457/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 juni 2002 heeft de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (hierna: de Minister), onder intrekking van zijn besluit van 28 februari 2002, waarbij, voorzover van belang, appellant een subsidie op grond van de Regeling beëindiging Veehouderijtakken (hierna: de Regeling) is verleend, de subsidieaanvraag afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2004, 314 met annotatie van W. den Ouden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200301457/1.

Datum uitspraak: 10 maart 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank te Leeuwarden van 30 januari 2003 in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij

(thans: de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit).

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 juni 2002 heeft de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (hierna: de Minister), onder intrekking van zijn besluit van 28 februari 2002, waarbij, voorzover van belang, appellant een subsidie op grond van de Regeling beëindiging Veehouderijtakken (hierna: de Regeling) is verleend, de subsidieaanvraag afgewezen.

Bij op 2 augustus 2002 verzonden besluit heeft de Minister het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 30 januari 2003, verzonden op 4 februari 2003, heeft de rechtbank te Leeuwarden (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 6 maart 2003, bij de Raad van State ingekomen op 7 maart 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 18 april 2003 heeft de Minister van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 juli 2003, waar de Minister, vertegenwoordigd door mr. S.B. Stranders, ambtenaar ten departemente, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Bij besluit van 28 februari 2002 heeft de Minister de aanvraag van appellant om een subsidie op grond van de Regeling voorlopig goedgekeurd en hem bij het voldoen aan de voorwaarden van de Regeling een subsidie verleend.

2.2. Appellant heeft in de eerste plaats aangevoerd dat de brief van 28 februari 2002 niet is aan te merken als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), omdat de brief niet is ondertekend.

2.3. De enkele omstandigheid dat de ondertekening ontbreekt, betekent in een geval als het onderhavige, waarin sprake is van een geautomatiseerd aangemaakte brief, niet dat aan deze brief het besluitkarakter moet worden ontzegd. De omstandigheid dat in het besluit niet uitdrukkelijk staat vermeld, dat het gaat om een geautomatiseerd aangemaakt besluit kan hieraan, anders dan appellant stelt, niet afdoen.

2.4. Ingevolge artikel 2 van de Kaderwet LNV-subsidies kan de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij subsidies verstrekken met betrekking tot activiteiten welke passen in het beleid inzake de in dit artikel vermelde beleidsterreinen.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Kaderwet, voorzover hier van belang, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling de activiteiten waarvoor subsidie kan worden verstekt, nader worden bepaald alsmede andere criteria voor die verstrekking worden vastgesteld.

Ingevolge artikel 5 van de Regeling, een ministeriële regeling als bedoeld in artikel 4 van de Kaderwet, verstrekt de minister op aanvraag subsidie voor de beëindiging van een of meer veehouderijtakken op een bedrijf.

Ingevolge artikel 25, tweede lid, van de Regeling, voorzover hier van belang, worden, indien de kippen- en kalkoenentak wordt beëindigd, de dieren behorende tot de desbetreffende tak uiterlijk vijftien maanden nadat de subsidie is verleend, van het bedrijf afgevoerd.

Ingevolge artikel 26 van de Regeling voert de aanvrager nadat een of meer van de termijnen, bedoeld in artikel 25, zijn aangevangen op zijn bedrijf geen dieren meer aan die behoren tot de tak van veehouderij die wordt beëindigd.

2.5. Ingevolge artikel 4:48, eerste lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht, voorzover hier van belang, kan het bestuursorgaan, zolang de subsidie niet is vastgesteld de subsidieverlening intrekken, indien de subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen.

2.6. Bij de beslissing op bezwaar is het primaire besluit waarbij de bij besluit van 28 februari 2002 verleende subsidie is ingetrokken en de subsidie-aanvraag van appellant alsnog is afgewezen, gehandhaafd. Hieraan ligt de omstandigheid ten grondslag dat appellant door op 14 maart 2002 nog kippen op zijn bedrijf aan te voeren niet aan de ingevolge artikel 26 van de Regeling aan de subsidieverlening verbonden verplichting heeft voldaan.

2.7. Appellant bestrijdt dit; naar zijn mening geeft de minister een onjuiste uitleg van het begrip aanvoeren. Hij stelt zich op het standpunt dat het tijdstip waarop door hem de koopovereenkomst met betrekking tot voormelde legkippen is gesloten, namelijk 10 oktober 2001, moet worden aangemerkt als het tijdstip waarop deze dieren op zijn bedrijf zijn aangevoerd. Derhalve vormt de feitelijke aflevering van de kippen op het bedrijf op 14 maart 2002 geen schending van bedoelde verplichting.

2.8. Met de voorzieningenrechter moet worden geoordeeld dat niet valt in te zien dat onder het aanvoeren van dieren op het bedrijf iets anders moet worden verstaan dan de feitelijke aflevering van de dieren op het bedrijf.

Hetgeen appellant overigens heeft aangevoerd vormt een herhaling van zijn betoog in beroep, ten aanzien waarvan in de aangevallen uitspraak met juistheid is overwogen dat het niet tot vernietiging van de beslissing op bezwaar kan leiden.

De conclusie luidt dan ook dat appellant niet aan de subsidieverplichting heeft voldaan, zodat hij niet in aanmerking komt voor subsidieverlening.

2.9. Het hoger beroep is ongegrond en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.E.E. Wolff, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink w.g. Wolff

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2004

238.