Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO4802

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-03-2004
Datum publicatie
03-03-2004
Zaaknummer
200305603/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 januari 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Epe (hierna: het college) geweigerd appellant bouwvergunning te verlenen voor de oprichting van een woning, een garage en een opslagloods op een perceel, gelegen aan de [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Epe en Oene, sectie […], nr. […].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200305603/1.

Datum uitspraak: 3 maart 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te Zutphen van 26 juni 2003 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Epe.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 januari 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Epe (hierna: het college) geweigerd appellant bouwvergunning te verlenen voor de oprichting van een woning, een garage en een opslagloods op een perceel, gelegen aan de [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Epe en Oene, sectie […], nr. […].

Bij besluit van 15 juli 2002 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 26 juni 2003, verzonden op 16 juli 2003, heeft de rechtbank te Zutphen (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 19 augustus 2003, bij de Raad van State ingekomen op 20 augustus 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 9 oktober 2003 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 februari 2004, waar appellant in persoon, en het college, vertegenwoordigd door A. Oostwoud, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan voorziet in de oprichting van een woning, een garage en een opslagloods op het perceel, met kadastraal nummer 2499 (hierna: het perceel). Dit perceel is als gevolg van eigendomsoverdracht kadastraal afgesplitst van het perceel, met kadastraal nummer 2316. Op laatstgenoemd perceel bevindt zich een boerderij, die onder verlening van vrijstelling is verbouwd tot burgerwoning.

Het bouwplan is geprojecteerd binnen een op de plankaart aangegeven agrarisch bouwperceel. Blijkens de plankaart strekt dit bouwperceel zich over voornoemde twee kadastrale percelen uit.

2.2. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Agrarisch Gebied, vierde partiële herziening" rust op het perceel de bestemming "Agrarische doeleinden, klasse B (landschappelijke waarde)".

Ingevolge artikel 2.13, derde lid, van de planvoorschriften, voorzover thans van belang, is uitsluitend binnen de begrenzing van elk op de plankaart als zodanig aangegeven bouwperceel een agrarisch bedrijfscomplex toegestaan, bestaande uit één eengezinshuis en de voor het bedrijf benodigde bedrijfsgebouwen.

2.3. Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college zich ten onrechte op het standpunt stelt dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. Daartoe voert hij aan dat als gevolg van de kadastrale splitsing een afzonderlijk bouwperceel op het perceel is ontstaan.

Dit betoog faalt. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden overwogen dat de omstandigheid dat appellant een deel van de gronden binnen het agrarisch bouwperceel heeft gekocht niet meebrengt dat een nieuw bouwperceel is ontstaan. In het door appellant overgelegde uittreksel van de kadastrale kaart wordt geen grond gevonden voor een ander oordeel. Nu zich op het bouwperceel reeds een woning bevindt, is realisering van het bouwplan, naar de rechtbank terecht en op goede gronden heeft overwogen, in strijd met artikel 2.13, derde lid, van de planvoorschriften. De rechtbank heeft derhalve terecht geoordeeld dat de vraag of sprake was van de oprichting van een binnen het bestemmingsplan passend agrarisch bedrijf niet behoefde te worden beantwoord.

2.4. Anders dan appellant betoogt, valt voorts niet in te zien dat het college appellant in de gelegenheid had moeten stellen zijn bouwplan zodanig aan te passen dat geen beletselen meer bestaan voor het verlenen van bouwvergunning, nu het, naar de rechtbank terecht en op goede gronden heeft overwogen, daarbij niet gaat om wijzigingen van ondergeschikte aard. De omstandigheid dat appellant voornemens is de woning met garage en opslagloods te gaan gebruiken ten behoeve van een op te richten agrarisch bedrijf, doet hieraan niet af. Ook in die situatie zal immers sprake zijn van de realisering van een tweede woning op het agrarisch bouwperceel.

Ten slotte heeft de rechtbank de in hoger beroep herhaalde stelling dat het college de bouwvergunning niet had mogen weigeren zonder appellant een schadevergoeding aan te bieden op goede gronden verworpen.

2.5. Het hoger beroep in ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C. de Gooijer, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.

w.g. De Gooijer w.g. Lodder

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2004

17-423.