Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO4800

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-03-2004
Datum publicatie
03-03-2004
Zaaknummer
200305549/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 mei 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Aalsmeer (hierna: het college) met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) vrijstelling van het bestemmingsplan "Uitbreidingsplan in Hoofdzaak 1962" (hierna: het bestemmingsplan), alsmede bouwvergunning verleend voor het plaatsen van twee clubgebouwen op het perceel, sectie D, nummer 5208, plaatselijk bekend Bilderdammerweg (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200305549/1.

Datum uitspraak: 3 maart 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats], gemeente Aalsmeer

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 juli 2003 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Aalsmeer.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 mei 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Aalsmeer (hierna: het college) met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) vrijstelling van het bestemmingsplan "Uitbreidingsplan in Hoofdzaak 1962" (hierna: het bestemmingsplan), alsmede bouwvergunning verleend voor het plaatsen van twee clubgebouwen op het perceel, sectie D, nummer 5208, plaatselijk bekend Bilderdammerweg (hierna: het perceel).

Bij besluit van 7 augustus 2001 heeft het college geweigerd handhavend op te treden tegen de aanleg van het sportpark "Calslagen".

Bij besluit van 15 januari 2002 heeft het college het door appellant tegen het besluit van 19 mei 2001 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van diezelfde dag heeft het college het door appellant tegen het besluit van 7 augustus 2001 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 juli 2003, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het door appellant tegen deze besluiten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 18 augustus 2003, bij de Raad van State ingekomen op 19 augustus 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 21 november 2003 heeft het college van antwoord gediend.

Op 28 en 29 januari 2004 zijn nadere stukken van appellant ontvangen. Deze zijn aan het college toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 februari 2004, waar appellant in persoon, vertegenwoordigd door E. Tijselink, gemachtigde, en het college, vertegenwoordigd door drs. M.M.H. van Hes, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan rust op het perceel een agrarische bestemming en de bestemming "weg". Nadat het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Holland op 6 januari 1999 een verklaring van geen bezwaar heeft verleend, heeft het college bij besluit van 19 januari 1999 vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de WRO, zoals dat luidde tot 3 april 2000, verleend van het bestemmingsplan voor het aanleggen van een sportcomplex op het perceel. Bij voornoemde verklaring van geen bezwaar en bij het besluit van 19 januari 1999 behoort een tekening, waarop de ligging van de verschillende sportvelden is aangegeven. Niet in geschil is dat op de plaats die volgens die tekening bedoeld was voor bijvelden thans twee wedstrijd-trainingsvelden zijn gerealiseerd.

2.2. Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college ten onrechte heeft geweigerd handhavend op te treden tegen het wisselen van sportvelden.

Dit betoog faalt. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het wisselen van enkele sportvelden niet leidt tot een afwijking van het gebruik van het perceel waarvoor bij besluit van 19 januari 1999 vrijstelling is verleend. Van een illegale situatie is dan ook geen sprake. Het college is derhalve niet bevoegd handhavend op te treden. Noch de omstandigheid dat op voornoemde tekening een andere indeling van de verschillende sportvelden is aangegeven, noch de omstandigheid dat in voornoemd besluit is vermeld dat de trainingsvelden zo ver als mogelijk van het perceel van appellant zullen worden gerealiseerd kunnen tot een ander oordeel leiden.

2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C. de Gooijer, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.

w.g. De Gooijer w.g. Lodder

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2004

17-423.