Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO4799

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-03-2004
Datum publicatie
03-03-2004
Zaaknummer
200305231/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 oktober 2002 heeft de gemeenteraad van Maasdriel, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 22 oktober 2002, het bestemmingsplan "Buitengebied" gewijzigd vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 10
Besluit op de ruimtelijke ordening 1985
Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 9
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2004/122
M en R 2004, 78 met annotatie van H.A.M. van Geest
Module Ruimtelijke ordening 2004/4252
JOM 2006/1048
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200305231/1.

Datum uitspraak: 3 maart 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], gevestigd te [plaats], en wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 oktober 2002 heeft de gemeenteraad van Maasdriel, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 22 oktober 2002, het bestemmingsplan "Buitengebied" gewijzigd vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 10 juni 2003, nr. RE2002.113511, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 7 augustus 2003, bij de Raad van State ingekomen op 8 augustus 2003, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 18 september 2003.

Bij brief van 23 september 2003 heeft verweerder medegedeeld dat het beroepschrift hem geen aanleiding geeft tot het maken van opmerkingen.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 februari 2004, waar verweerder, vertegenwoordigd door mr. E.T. de Jong, advocaat te Arnhem, is verschenen.

Appellanten zijn niet verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.2. Het plan voorziet in een nieuwe planologische regeling voor het buitengebied van Maasdriel.

Verweerder heeft aan het gehele plan goedkeuring onthouden.

2.3. Verweerder heeft het plan en de totstandkoming ervan in strijd geacht met het recht. Hij heeft overwogen dat het plan op verschillende onderdelen niet zorgvuldig tot stand is gekomen aangezien niet, dan wel onvoldoende, is voldaan aan de onderzoeksverplichting als bedoeld in artikel 9 van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (hierna: Bro 1985). Daarnaast voldoet het vaststellingsbesluit van de gemeenteraad naar zijn mening niet aan de wettelijke eisen ten aanzien van een zorgvuldige voorbereiding, belangenafweging en deugdelijke motivering. Verweerder heeft in het voorgaande aanleiding gezien integraal goedkeuring te onthouden aan het plan.

2.4. Appellanten stellen in beroep dat verweerder ten onrechte mede goedkeuring heeft onthouden aan het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein", betreffende hun bedrijfsperceel op het bedrijventerrein […] aan de [locatie] te [plaats]. Zij stellen dat de overwegingen van verweerder, die tot de onthouding van goedkeuring hebben geleid, geen betrekking hebben op dit plandeel. Door de onthouding van goedkeuring hebben appellanten niet de mogelijkheid hun bedrijf uit te breiden, hetgeen zij noodzakelijk achten voor hun bedrijfsvoering. Zij stellen dat door de gemeente Maasdriel en door verweerder het gerechtvaardigde vertrouwen is gewekt dat bedrijfsuitbreiding mogelijk zou zijn.

2.5. De gemeenteraad heeft in artikel 8.3.1. van de planvoorschriften het bebouwingspercentage voor het bedrijventerrein […] op maximaal 50 gesteld.

2.6. Op grond van artikel 9, eerste lid, van het Bro 1985 rust op het college van burgemeester en wethouders de verplichting om ten behoeve van de toekomstige ruimtelijke ontwikkeling van het gemeentelijke gebied onderzoek te verrichten naar de bestaande toestand in en naar de mogelijke en wenselijke ontwikkeling van de gemeente. Hieruit volgt dat in het kader van de voorbereiding en vaststelling van een bestemmingsplan op het gemeentebestuur de verplichting rust tot het verrichten van het benodigde onderzoek. De taak van verweerder in het kader van het nemen van een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan bestaat uit het beoordelen of het door de gemeenteraad vastgestelde plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening en het recht. Daarbij kan onder omstandigheden op verweerder de plicht rusten om in aanvulling op het door het college van burgemeester en wethouders verrichte onderzoek nader onderzoek te verrichten.

2.6.1. Verweerder heeft geconstateerd dat onvoldoende onderzoek ten grondslag is gelegd aan de toekenning van agrarische bouwpercelen en dat onvoldoende is onderzocht of de gebiedsbestemmingen in het plan overeenkomen met de zonering van het landelijke gebied in het Streekplan Gelderland 1996. Voorts heeft verweerder geconstateerd dat de gemeenteraad niet heeft onderkend dat in het plan activiteiten mogelijk worden gemaakt, waarvoor tenminste een m.e.r.-beoordelingsplicht en mogelijk een m.e.r.-plicht geldt en heeft hij vastgesteld dat aan de bestemmingsregeling voor niet-agrarische bedrijven geen gedegen inventarisatie van de huidige omvang van de bedrijfsactiviteiten ten grondslag ligt. Verweerder heeft dit terecht geconstateerd. Gelet op het vorenstaande acht de Afdeling het standpunt van verweerder dat, gelet op de aard en omvang van de geconstateerde gebreken, de totstandkoming van het plan niet voldoet aan de onderzoeksplicht als bedoeld in artikel 9 van het Bro 1985, niet onjuist. Naar het oordeel van de Afdeling kan van verweerder niet worden gevergd dat hij het door het gemeentebestuur te verrichten onderzoek geheel zelf dient te verrichten. Gelet hierop heeft verweerder zich voorts in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een inhoudelijke beoordeling of de verschillende onderdelen van het plan - met inbegrip van het plandeel waarop het beroep van appellanten ziet - in overeenstemming zijn met een goede ruimtelijke ordening, in het bestreden besluit achterwege kan blijven. Ingevolge artikel 30, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, dient, indien aan een vastgesteld bestemmingsplan goedkeuring is onthouden, de gemeenteraad een nieuw plan vast te stellen, waarbij het besluit van verweerder in acht wordt genomen. Na de vaststelling van het reparatieplan door de gemeenteraad zal verweerder moeten bezien of dat plan en de totstandkoming ervan in overeenstemming zijn met een goede ruimtelijke ordening en met het recht. Op de besluitvorming van verweerder kan naar het oordeel van de Afdeling niet worden vooruit gelopen. Het beroep van appellanten op gewekt vertrouwen kan - daargelaten of dit slaagt - hieraan niet afdoen.

2.6.2. Gelet op het vorenstaande is het plan vastgesteld in strijd met artikel 9 van het Bro 1985. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft onthouden aan het plandeel.

In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. Hanrath

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2004

392.