Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO4797

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-03-2004
Datum publicatie
03-03-2004
Zaaknummer
200305215/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 april 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Enschede (hierna: het college) het verzoek van appellanten om bestuursdwang toe te passen ten aanzien van een minigolfbaan op het perceel Spieleweg 24 te Boekelo (hierna: het perceel) afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200305215/1.

Datum uitspraak: 3 maart 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 24 juli 2003 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Enschede.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 april 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Enschede (hierna: het college) het verzoek van appellanten om bestuursdwang toe te passen ten aanzien van een minigolfbaan op het perceel Spieleweg 24 te Boekelo (hierna: het perceel) afgewezen.

Bij besluit van 8 oktober 2002 heeft het college het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 juli 2003, verzonden op die dag, heeft de rechtbank Almelo (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 5 augustus 2003, bij de Raad van State ingekomen op 6 augustus 2003, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 2 september 2003. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 2 oktober 2003 heeft het college van antwoord gediend.

Bij brief van 10 januari 2004 hebben appellanten nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 januari 2004, waar appellanten in persoon, bijgestaan door P. Baakman, juridisch adviseur, en het college, vertegenwoordigd door mr. W.D. Piek, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Appellanten betogen dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand heeft gelaten.

2.2. De raad van de gemeente Enschede heeft op 27 mei 2002 het bestemmingsplan “Herziening 16 Buitengebied 1996” vastgesteld. Dit bestemmingsplan is op 10 december 2002 goedgekeurd door gedeputeerde staten van Overijssel, behoudens een strook van 10 meter breed, grenzend aan het perceel van appellanten, waarvan door gedeputeerde staten is aangegeven dat deze strook kan worden benut voor het aanleggen van een kleine grondwal om daarmee het gevaar van mogelijk doorschietende ballen tot een minimum te beperken. Deze herziening is op 26 juni 2003 onherroepelijk geworden. Hierdoor is de exploitatie van een minigolfbaan op het betreffende perceel is toegelaten. Mede gelet op hetgeen hierna wordt overwogen, heeft de rechtbank derhalve op goede gronden de rechtsgevolgen van het besluit op bezwaar in stand gelaten. Niet valt in te zien dat de “pitch- en puthactiviteiten” en het spelen van zogeheten boerengolf niet mede onder het toegelaten gebruik zijn begrepen.

2.3. Bij besluit van 17 september 2002, dat deel uitmaakt van de door het college aan de Afdeling overgelegde stukken, heeft het college een aanlegvergunning verleend voor het aanleggen van een wallichaam op de strook grond van 10 meter, grenzend aan het perceel van appellanten, waar de in rechtsoverweging 2.2. bedoelde onthouding van goedkeuring betrekking op had. Deze aanlegvergunning is op 30 oktober 2002 onherroepelijk geworden. De stelling van appellanten dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat deze vergunning was verleend, faalt derhalve.

2.4. Appellanten betogen voorts dat de minigolfbaan in werking is zonder gebruiksvergunning als bedoeld in artikel 6.1.1. van de gemeentelijke bouwverordening en dat de rechtbank ten onrechte geen oordeel heeft uitgesproken over de vraag of een gebruiksvergunning gerelateerd is aan het bestemmingsplan. De gebruiksvergunning ziet niet op de golfbaan zelf, doch op het verbouwen van het eveneens op het perceel gelegen restaurant. Noch het verzoek om handhaving, noch het besluit van 8 oktober 2002 had daar betrekking op. Het ontbreken van de gebruiksvergunning voor het restaurant kan in dit geding derhalve niet aan de orde komen.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak, voor zover aangevallen, dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de uitspraak, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.M. van Angeren, Voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. B.J. van Ettekoven , Leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Angeren w.g. Lodder

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2004

17-380-378.