Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO4792

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-03-2004
Datum publicatie
03-03-2004
Zaaknummer
200306554/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

200306554/1.

Datum uitspraak: 3 maart 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellanten sub 1], wonend te Dinxperlo,

2. [appellant sub 2], wonend te Dinxperlo,

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 januari 2003 heeft de gemeenteraad van Dinxperlo, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 21 januari 2003, het bestemmingsplan "Alfred Mozerhof 2001" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 26 augustus 2003, nr. RE2003.22112, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200306554/1.

Datum uitspraak: 3 maart 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellanten sub 1], wonend te Dinxperlo,

2. [appellant sub 2], wonend te Dinxperlo,

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 januari 2003 heeft de gemeenteraad van Dinxperlo, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 21 januari 2003, het bestemmingsplan "Alfred Mozerhof 2001" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 26 augustus 2003, nr. RE2003.22112, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellanten sub 1 bij brief van 1 oktober 2003, bij de Raad van State ingekomen op 2 oktober 2003, en appellant sub 2 bij brief van 10 oktober 2003, bij de Raad van State ingekomen op 14 oktober 2003, beroep ingesteld. Appellant sub 2 heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 24 november 2003.

Bij brief van 26 november 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 februari 2004, waar appellanten sub 1, vertegenwoordigd door R.F. Schuurman, gemachtigde, appellant sub 2, in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door

mr. E.T. de Jong, advocaat te Arnhem, zijn verschenen. Voorts is de gemeenteraad van Dinxperlo, vertegenwoordigd door H.R.J. Visser, ambtenaar van de gemeente, daar gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.2. Het plan maakt de bouw van een woonhof van twaalf woningen met ondergrondse parkeervoorziening mogelijk op een binnenterrein, dat wordt omsloten door de bebouwing aan de Maurits Prinsstraat, de Minister Ringersstraat, de Dr. van der Meerstraat en de Molenstraat.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het plan goedgekeurd.

2.3. [Appellanten sub 1] en [appellant sub 2] stellen dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan. Zij hebben bezwaar gemaakt tegen de wijze waarop de gemeenteraad de ingediende zienswijzen heeft behandeld.

[Appellant sub 2] voert voorts als bezwaar van formele aard aan dat de inspraakprocedure onzorgvuldig heeft plaatsgevonden. Voorts stelt hij dat ten onrechte geen verslag is gemaakt van de hoorzitting namens het college van gedeputeerde staten.

2.3.1. De gemeenteraad heeft het plan vastgesteld overeenkomstig de adviezen en stukken zoals door het college van burgemeester en wethouders aan de gemeenteraad zijn voorgelegd, waaronder het eindverslag van de inspraakprocedure, het verslag van de hoorzitting en het advies van de Hoor- en adviescommissie Ruimtelijke Ordening naar aanleiding van de ingediende zienswijzen. In het advies is verwezen naar de standpunten die door appellanten en door het college van burgemeester en wethouders in eerdere stadia van de planprocedure en in de parallel lopende procedures met betrekking tot de vrijstelling ex artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en de aangevraagde bouwvergunning naar voren zijn gebracht. Nu door appellanten geen wezenlijk nieuwe gezichtspunten naar voren zijn gebracht, is, onder verwijzing naar het standpunt van het college van burgemeester en wethouders, afgezien van een behandeling van de opnieuw ingediende zienswijzen. De Afdeling ziet in het voorgaande geen aanleiding voor het oordeel dat het besluit van de gemeenteraad niet voldoende is gemotiveerd, aangezien niet aannemelijk is gemaakt dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken.

2.3.2. Ingevolge artikel 6a van de Wet op de Ruimtelijke Ordening worden ingezetenen en in de gemeente een belang hebbende natuurlijke personen en rechtspersonen bij de voorbereiding van ruimtelijke plannen of herziening daarvan betrokken op de wijze zoals voorzien in de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet vastgestelde verordening. De gemeenteraad van Dinxperlo heeft een inspraakverordening vastgesteld bij besluit van 2 november 1995. Niet is gebleken dat [appellant sub 2] met betrekking tot de wijze waarop de inspraakprocedure heeft plaatsgevonden een klacht heeft ingediend.

Gelet hierop bestaat er geen aanleiding op de bezwaren ter zake van de inspraak verder in te gaan.

2.3.3. Ter zitting is komen vast te staan dat van de hoorzitting namens het college van gedeputeerde staten alleen handgeschreven aantekeningen zijn gemaakt. Voorzover appellant ter zitting heeft gesteld deze aantekeningen ten onrechte niet te hebben ontvangen, overweegt de Afdeling dat de verslaglegging van de hoorzitting dient ter ondersteuning van de besluitvorming in het college van gedeputeerde staten. In de Wet op de Ruimtelijke Ordening is geen bepaling aan te wijzen, op grond waarvan het college van gedeputeerde staten de verplichting heeft het verslag van de hoorzitting toe te zenden aan degenen die bedenkingen hebben ingediend. Ook overigens is niet aannemelijk geworden dat appellant door de gang van zaken in zijn belangen is geschaad.

2.4. Tegen de goedkeuring van het plan door verweerder voeren [appellanten sub 1] verder aan dat de economische uitvoerbaarheid van het plan niet vaststaat, dat het plan in strijd is met het provinciale beleid ten aanzien van woningbouw en dat de noodzaak van de bouw van twaalf woningen niet is aangetoond. Zij stellen voorts dat het plan zal leiden tot een onaanvaardbare toeneming van verkeersoverlast en daarmee gepaard gaande geluids- en geuroverlast en tot een aantasting van de privacy. Ten slotte kunnen zij zich niet verenigen met de vrijstellingsbepaling in artikel 6, tweede lid, van de planvoorschriften.

[Appellant sub 2] voert aan dat ten gevolge van de voorgenomen woningbouw ten onrechte een uniek natuurgebied wordt opgeofferd.

2.5. De gemeenteraad heeft aan de noord-, west- en zuidrand van het binnenterrein, waarop het beroep van appellanten ziet, de bestemming "Woondoeleinden" en aan de daardoor omgeven groene ruimte de bestemming "Verkeers- en verblijfsdoeleinden" toegekend.

2.6. Verweerder heeft de door de gemeenteraad getroffen regeling niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en deze planonderdelen goedgekeurd. Hij heeft overwogen dat het plan in overeenstemming is met zijn beleid ten aanzien van woningbouw op inbreidingslocaties en ten aanzien van zuinig en meervoudig ruimtegebruik.

2.7. Volgens het provinciale beleid dient woningbouw zoveel mogelijk op inbreidingslocaties te worden verwezenlijkt en dient zorgvuldig met de beschikbare ruimte te worden omgegaan. Dit beleid acht de Afdeling niet onredelijk. Het plangebied is gelegen middenin een woonwijk en kan worden aangemerkt als inbreidingslocatie. De voorziene ondergrondse parkeergarage wijst op zuinig en meervoudig ruimtegebruik. Gelet hierop heeft verweerder het plan terecht in overeenstemming met zijn beleid geacht. Van omstandigheden die aanleiding geven in dit geval een uitzondering te maken op dit beleid is niet gebleken. In dit verband overweegt de Afdeling dat niet aannemelijk is gemaakt dat ter plaatse sprake is van zodanige natuurwaarden, dat zij door een daarbij passende bestemming zouden moeten worden beschermd.

2.7.1. Verweerder heeft zich voorts in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de economische uitvoerbaarheid van het plan voldoende is gewaarborgd. De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat bij de stukken een exploitatieopzet is gevoegd, waaruit blijkt dat een positief exploitatieresultaat wordt verwacht. Deze exploitatieopzet maakt deel uit van de stukken die aan de gemeenteraad zijn aangeboden voorafgaande aan de vaststelling van het plan en is gelijktijdig met het bestemmingsplan door de raad vastgesteld. Voorzover in de plantoelichting is opgenomen dat het financiële risico verbonden aan eventuele planschadeclaims contractueel is overgedragen aan de projectontwikkelaar, overweegt de Afdeling dat uit het arrest van de Hoge Raad van 2 mei 2003 (nr. C02/209; JB 2003/122) volgt dat een dergelijk beding niet geldig is. Gelet op het verwachte positieve exploitatieresultaat en gelet op de omstandigheid dat de gemeenteraad ter zitting heeft aangegeven dat een verantwoorde financiële afwikkeling van het plan zonodig voor rekening van de gemeente zal komen, ziet de Afdeling echter geen aanleiding vanwege de omstandigheid dat genoemd beding niet geldig is, tot vernietiging van het besluit over te gaan.

2.7.2. Voorzover is aangevoerd dat het plan zal leiden tot verkeersoverlast, met inbegrip van geluids- en geuroverlast, overweegt de Afdeling dat het plan voorziet in de bouw van een beperkt aantal woningen met een ondergrondse parkeergarage, waarbij de toegang tot de garage is gesitueerd aan het bestaande parkeerterrein op de hoek van de Minister Ringersstraat en de Maurits Prinsstraat. Ter plaatse van de toegang tot de garage zullen meer verkeersbewegingen ontstaan ten gevolge van het plan. Gelet op het beperkte aantal voorziene woningen heeft verweerder zich echter in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat dit niet zal leiden tot een onaanvaardbare toeneming van verkeersoverlast voor de woningen in de omliggende straten. Anders dan [appellanten sub 1] veronderstellen, maakt het plan parkeren op het binnenterrein niet mogelijk. In artikel 4, eerste lid, van de planvoorschriften is immers bepaald dat de gronden met de bestemming "Verkeers- en verblijfsdoeleinden" die op de plankaart zijn aangeduid met bestemmingsvlak II uitsluitend zijn bestemd voor verkeersdoeleinden B, te weten voor langzaam verkeer, groenvoorzieningen, doeleinden van openbaar nut en speelvoorzieningen.

Autoverkeer en parkeren is wel toegestaan op gronden met de bestemming "Verkeers- en verblijfsdoeleinden", die op de plankaart zijn aangeduid met bestemmingsvlak I. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat het als zodanig aangeduide pad tussen het binnenterrein en de Dr. van der Meerstraat met name een verkeersfunctie heeft voor de aangrenzende woningen met garages. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat ten gevolge van het plan op dit pad onevenredige verkeers- en parkeeroverlast zal ontstaan.

Naar het oordeel van de Afdeling heeft verweerder zich voorts in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de privacy van bewoners van woningen in de omliggende straten niet in grote mate zal worden aangetast. Zij neemt hierbij in aanmerking dat volgens de plankaart tussen de bestaande en de voorziene woningen een afstand van minimaal 15 meter en maximaal 35 meter ligt.

2.7.3. Ingevolge artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het college van burgemeester en wethouders met inachtneming van de in het plan vervatte regelen bevoegd is van bij het plan aan te geven voorschriften vrijstelling te verlenen. Mede gelet op de rechtszekerheid van belanghebbenden dient in een vrijstellingsbepaling in voldoende mate te worden bepaald in welke gevallen en onder welke voorwaarden hiervan gebruik mag worden gemaakt. Een op artikel 15 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening berustende vrijstellingsbevoegdheid dient dus door voldoende objectieve normen te worden begrensd. Verder vloeit uit deze bepaling voort dat de in een bestemmingsplan vervatte vrijstellingsregeling niet ertoe kan strekken dat het college van burgemeester en wethouders vrijstelling kan verlenen van de op de plankaart aangegeven bestemmingen. Een vrijstellingsregeling mag evenmin tot effect hebben dat de bestemming van de grond wordt gewijzigd. Voor het wijzigen van een bestemming is toepassing van de wijzigingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening het geëigende instrument.

2.7.4. In artikel 6, tweede lid, van de planvoorschriften is een vrijstellingsbepaling opgenomen, die het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid geeft vrijstelling te verlenen van de in de voorschriften gestelde minimale en maximale eisen tot een maximum van 10%. Verweerder heeft in redelijkheid kunnen concluderen dat de vrijstellingsbevoegdheid aldus, alsmede door de gestelde eisen van een optimale verkaveling en een optimaal gebruik, voldoende objectief is begrensd. Hij heeft zich voorts terecht op het standpunt gesteld dat uit voornoemde vrijstellingsregeling niet volgt dat de bestemming van de grond kan worden gewijzigd.

2.7.5. Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

De beroepen zijn ongegrond.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. Hanrath

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2004

392.