Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO4791

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-03-2004
Datum publicatie
03-03-2004
Zaaknummer
200305136/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 25 november 1998 heeft het college van burgemeester en wethouders van Alphen-Chaam (hierna: het college) appellant medegedeeld dat het - gelet op de uitspraak van de Afdeling van 3 juli 1998 die betrekking heeft op de eerdere bestuursdwangaanzegging van 7 juni 1995 - na 1 juni 1999 middels toepassing van bestuursdwang uitvoering gaat geven aan de aanzegging tot sloop van dat deel van de recreatiewoning op het perceel [locatie] te Chaam (hierna: het perceel) dat zonder vergunning is gewijzigd en uitgebreid en dat door middel van een arcering op de bijgevoegde tekening is aangegeven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2004/74 met annotatie van A.G.A. Nijmeijer
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200305136/1.

Datum uitspraak: 3 maart 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Chaam, gemeente Alphen-Chaam

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 18 juni 2003 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Alphen-Chaam.

1. Procesverloop

Bij brief van 25 november 1998 heeft het college van burgemeester en wethouders van Alphen-Chaam (hierna: het college) appellant medegedeeld dat het - gelet op de uitspraak van de Afdeling van 3 juli 1998 die betrekking heeft op de eerdere bestuursdwangaanzegging van 7 juni 1995 - na 1 juni 1999 middels toepassing van bestuursdwang uitvoering gaat geven aan de aanzegging tot sloop van dat deel van de recreatiewoning op het perceel [locatie] te Chaam (hierna: het perceel) dat zonder vergunning is gewijzigd en uitgebreid en dat door middel van een arcering op de bijgevoegde tekening is aangegeven.

Bij besluit van 29 maart 1999 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 16 augustus 1999 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Breda het tegen dit besluit ingestelde beroep gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat de bezwaren gericht tegen het besluit van 25 november 1998 alsnog ontvankelijk en ongegrond worden verklaard en dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

Bij uitspraak van 4 mei 2000 heeft de Afdeling het door appellant tegen die uitspraak ingestelde hoger beroep gegrond verklaard en die uitspraak vernietigd voorzover met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht zelf in de zaak is voorzien en is bepaald dat de bezwaren gericht tegen het besluit van 25 november 1998 alsnog ontvankelijk en ongegrond dienen te worden verklaard.

Bij besluit van 27 november 2001 heeft het college het door appellant tegen het besluit van 25 november 1998 gemaakte bezwaar alsnog ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 juni 2003, verzonden op 25 juni 2003, heeft de rechtbank Breda (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 augustus 2003, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 1 september 2003. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 8 december 2003 heeft het college van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 februari 2004, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. M.P. Wolf, advocaat te Breda, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.C. Leijtens-van der Ben, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Bij besluit van 7 juni 1995 heeft het college appellant onder aanzegging van bestuursdwang gelast de aan de recreatiewoning op het perceel zonder vergunning uitgevoerde werkzaamheden te slopen. Bij besluit van 3 oktober 1995 heeft het college het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 31 december 1996 heeft de rechtbank het tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. De Afdeling heeft de uitspraak van de rechtbank bij uitspraak van 3 juli 1998 bevestigd.

2.2. Het betoog van appellant dat de bestuursdwangaanzegging van 25 november 1998 ten onrechte niet vermeldt welk voorschrift is overtreden kan niet leiden tot het daarmee beoogde doel. In deze aanschrijving wordt verwezen naar de eerdere aanschrijving van 7 juni 1995, terwijl zij, naar de rechtbank terecht heeft overwogen, ziet op dezelfde onderdelen van de recreatiewoning als laatstgenoemde aanschrijving, zij het met uitzondering van een gedeelte dat niet op de bij de aanschrijving van 25 november 1998 gevoegde tekening door middel van een arcering is aangegeven. In hetgeen hierover door appellant is aangevoerd wordt geen grond gevonden voor een ander oordeel.

Gelet op het vorenstaande faalt het betoog van appellant dat in de aanschrijving van 25 november 1998 niet is vermeld dat kostenverhaal zal plaatsvinden evenzeer.

2.3. Het betoog van appellant dat de rechtbank heeft miskend dat het college hem ten onrechte als overtreder heeft aangemerkt en dat het college niet bevoegd is handhavend op te treden, slaagt evenmin. Gelet op voornoemde uitspraak van de Afdeling van 3 juli 1998 die betrekking heeft op de eerdere bestuursdwangaanzegging van 7 juni 1995, moet, nu niet is gebleken van feiten of omstandigheden die thans nopen tot een ander oordeel, met de rechtbank worden geoordeeld dat voldoende is komen vast te staan dat appellant als overtreder kan worden aangemerkt en dat het college bevoegd is handhavend op te treden.

2.4. Alleen in bijzondere gevallen kan het bestuursorgaan afzien van handhavend optreden tegen de illegale situatie. Een bijzonder geval kan onder meer worden aangenomen, indien concreet zicht bestaat op legalisering.

2.5. Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat legalisering van de aan de recreatiewoning uitgevoerde werkzaamheden niet mogelijk is. Daartoe herhaalt hij zijn ter zitting bij de rechtbank aangevoerde stelling dat de werkzaamheden onder het overgangsrecht van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied Chaam" (hierna: het bestemmingsplan) vallen. Dit betoog faalt. In voornoemde uitspraak van de Afdeling van 3 juli 1998 is overwogen dat niet is gebleken dat de recreatiewoning, zoals die door de verrichte werkzaamheden is gewijzigd, past in het - destijds in de ontwerpfase verkerende - bestemmingsplan. Niet is gebleken dat het bestemmingplan, zoals dit inmiddels in werking is getreden, op dit punt is gewijzigd.

Anders dan appellant betoogt, bieden artikel 19, eerste lid, en artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening evenmin concreet zicht op legalisering, nu het college niet voornemens is met toepassing van een van deze bepalingen vrijstelling van de bepalingen van het bestemmingsplan te verlenen.

Voorts valt, anders dan appellant aanvoert, niet in te zien dat voor de verbouwingen op grond van artikel 43 van de Woningwet, zoals deze met ingang van 1 januari 2003 luidt, in samenhang met artikel 2, aanhef en onder a, van het Besluit bouwvergunningvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken, inmiddels geen bouwvergunning meer is vereist, nu de recreatiewoning niet voldoet aan het sub 6 vermelde kenmerk dat niet wordt gebouwd aan een woning die niet voor permanente bewoning is bestemd. Het feitelijke gebruik van de woning doet hieraan niet af. Ook aan deze bepalingen kan derhalve geen concreet zicht op legalisering worden ontleend.

2.6. Ook overigens is niet gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college kon afzien van handhavend optreden. Anders dan appellant betoogt, heeft de rechtbank terecht overwogen dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet kan slagen. De omstandigheid dat, naar appellant stelt, op de percelen [4 locaties] ten tijde van het verlenen van een bouwvergunning nog geen woonbestemming rustte, doet hieraan niet af, nu de percelen, anders dan het onderhavige perceel, in het inmiddels inwerking getreden bestemmingsplan wel een woonbestemming hebben. Het al dan niet toekennen van een woonbestemming aan het onderhavige perceel staat in deze procedure niet ter beoordeling. Ten aanzien van het geval [locatie] heeft de Afdeling bij uitspraak van 3 juli 1998 reeds overwogen dat het college voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat dit geval niet vergelijkbaar is.

Appellant betoogt voorts tevergeefs dat de rechtbank ten onrechte de door het college gemaakte belangenafweging niet heeft getoetst. De rechtbank heeft terecht overwogen dat in voornoemde uitspraak van de Afdeling van 3 juli 1998 is overwogen dat niet kan worden staande gehouden dat het college bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot de bij besluit van 3 oktober 1995 gehandhaafde aanschrijving heeft kunnen komen. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die thans tot een ander oordeel kunnen leiden. Ook hierin is derhalve geen bijzondere omstandigheid in vorenbedoelde zin gelegen.

Het enkele tijdsverloop kan evenmin worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid op grond waarvan van het college kan worden verlangd dat het afziet van handhavend optreden, reeds omdat dit tijdsverloop zijn grond vindt in de door appellant aanhangig gemaakte procedures. Van een onredelijke vertraging is dan ook geen sprake.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C. de Gooijer, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.

w.g. De Gooijer w.g. Lodder

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2004

17-423.