Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO4789

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-03-2004
Datum publicatie
03-03-2004
Zaaknummer
200305066/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 oktober 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Roermond (hierna: het college) het verzoek van appellant om de gegevens betreffende zijn burgerlijke staat, opgenomen in de gemeentelijke basisadministratie, te wijzigen van “gehuwd” in “ongehuwd”, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200305066/1.

Datum uitspraak: 3 maart 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Roermond,

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 25 juli 2003 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Roermond.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 oktober 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Roermond (hierna: het college) het verzoek van appellant om de gegevens betreffende zijn burgerlijke staat, opgenomen in de gemeentelijke basisadministratie, te wijzigen van “gehuwd” in “ongehuwd”, afgewezen.

Bij besluit van 12 november 2002 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 25 juli 2003, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Roermond (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 31 juli 2003, hoger beroep ingesteld.

Bij brief van 17 september 2003 heeft het college van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 december 2003, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. L.A.C.M. van der Bruggen, advocaat te Roermond, en het college, vertegenwoordigd door L.J.W. Evers, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 34, eerste lid, aanhef en onder a, ten eerste, van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (hierna: de Wet GBA) worden in de basisadministratie van de gemeente van inschrijving gegevens over de burgerlijke staat opgenomen.

Ingevolge artikel 36, tweede lid, worden de gegevens over de burgerlijke staat, indien zij feiten betreffen die zich buiten Nederland hebben voorgedaan, ontleend aan een geschrift als bedoeld onder a, bij gebreke hiervan aan een geschrift als bedoeld onder b of c, bij gebreke ook hiervan aan een geschrift als bedoeld onder d en bij gebreke ten slotte ook hiervan aan een geschrift als bedoeld onder e:

a. een akte over het desbetreffende feit, die is opgenomen in de registers van de Nederlandse burgerlijke stand;

b. een in Nederland gedane rechterlijke uitspraak over het desbetreffende feit die in kracht van gewijsde is gegaan;

c. een buiten Nederland overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie opgemaakte akte die ten doel heeft tot bewijs te dienen van het desbetreffende feit, of een over dat feit gedane rechterlijke uitspraak, of bij gebreke daarvan een akte van bekendheid of beëdigde verklaring, bedoeld in artikel 45 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek;

d. een geschrift dat overeenkomstig de plaatselijke voorschriften is opgemaakt door een bevoegde instantie, waarin het desbetreffende feit is vermeld;

e. een verklaring die betrokkene ten overstaan van een door het college aangewezen ambtenaar onder eed of belofte heeft afgelegd, die op schrift is gesteld en door betrokkene is ondertekend.

Ingevolge artikel 37, eerste lid, - voorzover thans van belang – mogen, indien aannemelijk is dat omtrent een gegeven over het huwelijk en de eerdere huwelijken, over de echtgenoot en de eerdere echtgenoten, een geschrift als bedoeld in artikel 36, tweede lid, onder c of d, kan worden verschaft, deze gegevens niet aan een geschrift als bedoeld in artikel 36, tweede lid, onder e, worden ontleend.

Ingevolge artikel 37, tweede lid, worden aan een geschrift als bedoeld in artikel 36, tweede lid, onder c, d of e, geen gegevens ontleend, voorzover de Nederlandse openbare orde zich verzet tegen de erkenning van de rechtsgeldigheid van de in deze geschriften vermelde feiten.

Ingevolge artikel 37, derde lid, wordt aan een geschrift als bedoeld in artikel 36, tweede lid, onder d en e, geen gegevens ontleend, indien aannemelijk is dat de gegevens onjuist zijn.

Ingevolge artikel 82, eerste lid, voldoet het college van burgemeester en wethouders binnen vier weken kosteloos aan het verzoek van betrokkene hem betreffende gegevens in de basisadministratie te verbeteren, aan te vullen of te verwijderen, indien deze feitelijk onjuist dan wel onvolledig zijn of in strijd met een wettelijk voorschrift worden verwerkt. Het verzoek bevat de aan te brengen wijzigingen.

Ingevolge artikel 83, aanhef en onder f, - voorzover thans van belang - wordt een beslissing van het college van burgemeester en wethouders om niet te voldoen aan een verzoek als bedoeld in artikel 82 gelijkgesteld met een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

2.2. Appellant verblijft sedert 30 oktober 1979 in Nederland. Vanaf 5 november 1979 is hij in het toenmalige bevolkingsregister van de gemeente Rotterdam ingeschreven als zijnde op [datum] te [plaats] [land] gehuwd met [partner]. De gegevens zijn opgetekend op basis van een door appellant afgelegde en ondertekende verklaring ten overstaan van de ambtenaar van de gemeente Rotterdam. Uit de relatie met [partner] zijn twee kinderen geboren (respectievelijk op [datum] en op [datum]), die als wettige kinderen in het geboorteregister van de gemeente Delft respectievelijk Sittard zijn ingeschreven. Appellant en [partner] hebben met hun kinderen tot 5 november 1998 als gezin in het bevolkingsregister ingeschreven gestaan, laatstelijk in de gemeente Echt. Sedert 28 juni 1991 bezitten zij de Nederlandse nationaliteit. Op 2 maart 2001 heeft appellant het college verzocht de in de basisadministratie geregistreerde gegevens betreffende zijn burgerlijke staat te wijzigen van “gehuwd” in “ongehuwd”. Bij brieven van 6 augustus 2001 en 19 maart 2002 heeft appellant verklaringen ingezonden waaruit naar zijn mening blijkt dat hij op het moment van vertrek uit [land] ongehuwd was.

2.3. Voorop staat dat de gegevens in de basisadministratie betrouwbaar en duidelijk moeten zijn. De gebruikers van de gegevens moeten erop kunnen vertrouwen dat de gegevens in beginsel juist zijn. Voor de gegevens omtrent de burgerlijke staat die niet aan de Nederlandse burgerlijke stand kunnen worden ontleend, is een rangorde aangegeven in de geschriften waaraan deze gegevens mogen worden ontleend. Aan een “lager” document mogen gegevens worden ontleend wanneer op het moment van inschrijving in redelijkheid geen beter document kan worden overgelegd. Dit doet evenwel niet af aan de plicht van de burger om eventueel na de inschrijving alsnog zo sterk mogelijke documenten te leveren (TK 1988-1989, 21 123, nr. 3, blz. 13 en 44-45).

2.4. De Afdeling volgt appellant niet in zijn betoog dat de rechtbank heeft miskend dat het college hem destijds ten onrechte als zijnde gehuwd heeft geregistreerd.

Uit de omstandigheid dat appellant destijds naar Nederland is gevlucht en ten tijde van de inschrijving in het bevolkingsregister de Nederlandse taal niet machtig was, kan niet de conclusie worden getrokken dat de gegevens, opgenomen in de door appellant destijds afgelegde verklaring omtrent zijn burgerlijke staat, feitelijk onjuist zijn. Daartoe bestaat te minder aanleiding nu, zoals het college en de rechtbank terecht hebben overwogen, in de jaren na de aankomst van appellant in Nederland, zijn burgerlijke staat in contacten met de Nederlandse overheid diverse malen aan de orde is geweest en appellant bij die gelegenheden geen melding heeft gemaakt van het feit dat hij niet was gehuwd. Hieraan doet niet af dat, naar appellant heeft gesteld, het nalaten daarvan is toe te schrijven aan een nog immer bestaande taalbarrière, nu appellant zich desgewenst had kunnen doen bijstaan door een tolk.

Met de rechtbank wordt voorts geoordeeld dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de door appellant overgelegde verklaringen niet kunnen dienen als bewijs dat de geregistreerde gegevens betreffende zijn burgerlijke staat feitelijk onjuist zijn. Daarbij is terecht in aanmerking genomen dat de verklaring van 6 februari 2002, waaruit zou blijken dat appellant ten tijde van zijn vertrek uit [land] ongehuwd was, niet voldoet aan de daarvoor blijkens informatie van het Ministerie van Justitie geldende vereisten dat sprake dient te zijn van een eigen verklaring, afgelegd ten overstaan van een lid van het “People’s Committee” van de woonplaats of ten overstaan van een “Public Notary Office”, en ondertekend door betrokkene, een lid van het “People’s Committee” of de vertegenwoordiger van het “People’s Committee”.

Dat appellant en [partner] in een aantal (civiele) procedures voor de rechtbank hebben erkend dat zij niet met elkaar zijn gehuwd en de president van de rechtbank Roermond in een tussen partijen gewezen vonnis in kort geding van 14 december 2000 dit gegeven als vaststaand feit heeft aangenomen, leidt niet tot een andere uitkomst. Hoewel de rechtbank aan deze beroepsgrond geen overwegingen heeft gewijd, heeft zij kennelijk geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het college was gehouden om de bedoelde erkenning dan wel het oordeel van de president met betrekking tot de burgerlijke staat van appellant bij zijn besluitvorming tot uitgangspunt te nemen. De Afdeling acht dit niet onjuist, reeds omdat de enkele erkenning door betrokkenen dat van een huwelijk geen sprake is geweest onvoldoende is om tot correctie van de geregistreerde gegevens in de gemeentelijke basisadministratie over te gaan.

2.5. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep ongegrond is. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. W.D.M. van Diepenbeek, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.C.S. Bakker, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink w.g. Bakker

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2004

393.