Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO4784

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-03-2004
Datum publicatie
03-03-2004
Zaaknummer
200304919/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 juli 2003, kenmerk WM 70-01, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan appellant sub 2 een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een varkenshouderij annex groentesorteerbedrijf aan de [locatie] te [plats], kadastraal bekend gemeente Nijmegen, sectie […], nummer […]. Dit besluit is op 14 juli 2003 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 1.1
Wet milieubeheer 8.2
Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2004/2118
JAF 2004/16 met annotatie van Van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200304919/1.

Datum uitspraak: 3 maart 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. het openbaar lichaam "Bijsterhuizen", gevestigd te Nijmegen,

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 juli 2003, kenmerk WM 70-01, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan appellant sub 2 een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een varkenshouderij annex groentesorteerbedrijf aan de [locatie] te [plats], kadastraal bekend gemeente Nijmegen, sectie […], nummer […]. Dit besluit is op 14 juli 2003 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellante sub 1 bij brief van 15 juli 2003, bij verweerder ingekomen op 17 juli 2003, en appellant sub 2 bij brief van 30 juli 2003, bij de Raad van State ingekomen op 31 juli 2003, beroep ingesteld. Het beroepschrift van appellante sub 1 is door verweerder met toepassing van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht doorgezonden aan de Raad van State, waar het op 24 juli 2003 is ingekomen.

Bij brieven van 30 september 2003 en 6 oktober 2003 heeft verweerder verweerschriften ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nog stukken ontvangen van appellant sub 2. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 januari 2004, waar appellante sub 1, vertegenwoordigd door mr. V. Wösten, gemachtigde, appellant sub 2, bijgestaan door mr. J.A.J.M. van Houtum, gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door drs. M. Lemmen en T.A. Korts, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De vraag of verweerder bevoegd was het bestreden besluit te nemen heeft betrekking op een aspect dat de Afdeling ambtshalve bij haar beoordeling moet betrekken. De Afdeling zal derhalve in de eerste plaats op deze vraag ingaan.

2.2. Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer zijn burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de inrichting geheel of in hoofdzaak zal zijn of is gelegen, bevoegd te beslissen op de aanvraag om een vergunning, behoudens in gevallen als bedoeld in het tweede, het derde en het vierde lid.

Ingevolge artikel 8.2, tweede lid, van de Wet milieubeheer, voorzover hier van belang, kan bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat ten aanzien van daarbij aangewezen categorieën van inrichtingen gedeputeerde staten van de provincie waarin de inrichting geheel of in hoofdzaak zal zijn of is gelegen, of Onze Minister bevoegd zijn te beslissen op de aanvraag om een vergunning.

Ingevolge artikel 3.1 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (hierna te noemen: het Besluit) zijn gedeputeerde staten van de provincie waarin de inrichting geheel of in hoofdzaak zal zijn of is gelegen, bevoegd te beslissen op de aanvraag om een vergunning ten aanzien van inrichtingen die behoren tot een categorie die daartoe in bijlage I is aangewezen.

Categorie 8.1 van bijlage I behorende bij het Besluit betreft – voor zover hier van belang – inrichtingen voor: a. het kweken, fokken, mesten, houden, verhandelen, verladen of wegen van dieren.

Ingevolge categorie 28.4, zoals opgenomen in bijlage I behorende bij het Besluit, zijn gedeputeerde staten het bevoegd gezag ten aanzien van inrichtingen, behorende tot deze categorie, voorzover het betreft inrichtingen voor onder meer: onder a, sub 6°: het opslaan van andere dan de onder 1° tot en met 5° genoemde van buiten de inrichting afkomstige afvalstoffen met een capaciteit ten aanzien daarvan van 50 m3 of meer, en onder c, sub 1°, voorzover hier van belang: het mengen, verdichten of thermisch behandelen - anders dan verbranden - van van buiten de inrichting afkomstige huishoudelijke afvalstoffen of bedrijfsafvalstoffen.

In artikel 1, onder a, van de Richtlijn 75/442/EEG, zoals gewijzigd bij Richtlijn 91/156/EEG, (hierna te noemen: de Richtlijn) wordt "afvalstof" gedefinieerd als: "Elke stof of elk voorwerp behorende tot de in bijlage I genoemde categorieën waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen".

In artikel 1, onder c, van de Richtlijn wordt houder nader omschreven als: "De producent van de afvalstoffen of de natuurlijke of rechtspersoon die de afvalstoffen in bezit heeft".

In bijlage I, onder Q8, van de Richtlijn is als categorie afvalstof vermeld: “bij industriële procédés ontstane residuen (bijvoorbeeld slakken, distillatieresiduen enz.)”.

2.3. Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen heeft in zijn arrest van 18 december 1997 in de zaak C-129/96 (Inter-Environnement Wallonie) geoordeeld dat het toepassingsgebied van het begrip afvalstof afhangt van de betekenis van de term "zich ontdoen van".

Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen heeft in zijn arrest van 15 juni 2000, in de gevoegde zaken C-418/97 en C-419/97 (AB 2000, 311), onder meer voor recht verklaard dat de omstandigheden dat een als brandstof gebruikte stof het residu is van een productieproces van een andere stof en dat die stof voor geen enkel ander gebruik dan verwijdering in aanmerking kan komen, als aanwijzingen kunnen worden beschouwd voor een handeling, een voornemen of een verplichting om zich van die stof te ontdoen in de zin van artikel 1, onder a, van de Richtlijn. Of inderdaad sprake is van een afvalstof in de zin van de Richtlijn moet evenwel worden beoordeeld met inachtneming van alle omstandigheden, waarbij rekening moet worden gehouden met de doelstelling van die richtlijn en ervoor moet worden gewaakt, dat afbreuk wordt gedaan aan de doeltreffendheid daarvan.

2.3.1. Uit de renvooilijst, die deel uitmaakt van de aanvraag, blijkt dat onder meer een brijvoederinstallatie, vier voerbunkers van 60 m3 voor vloeibaar voedsel en 3 resttanks van elk 500 liter ten behoeve van de brijvoederinstallatie zijn aangevraagd. Uit de aanvraag blijkt niet uit welke producten het brijvoeder bestaat en welke stoffen in de voerbunkers en tanks worden opgeslagen, waar deze stoffen van afkomstig zijn, welke samenstelling deze stoffen hebben en welke bewerking zij hebben ondergaan.

De Afdeling overweegt dat, voorzover de in de inrichting aanwezige stoffen productresiduen betreffen afkomstig uit de voedingsmiddelenindustrie, waarvan die voedingsmiddelenindustrie zich ontdoet, deze stoffen moeten worden aangemerkt als afvalstoffen in de zin van voornoemde Richtlijn. In dat geval is, gelet op het bepaalde in categorie 28.4, aanhef, onder a en sub 6o, van het Besluit, niet verweerder, maar het college van gedeputeerde staten van Gelderland het bevoegd gezag tot vergunningverlening.

In verband hiermee heeft verweerder betoogd dat in de onderhavige inrichting slechts stoffen worden opgeslagen die zijn aangeleverd door verschillende tussenleveranciers. Dezen hebben de stoffen geproduceerd door met name residuen afkomstig van de voedingsmiddelenindustrie te verwerken tot veevoer, aldus verweerder. Uit de door verweerder overgelegde productinformatie over deze stoffen is niet zonder meer af te leiden in hoeverre deze stoffen bewerkingen hebben ondergaan en of deze bewerkingen ertoe hebben geleid dat aan de stoffen het afvalkarakter is komen te ontvallen. Daarom kan niet worden uitgesloten dat deze van de tussenleveranciers afkomstige stoffen moeten worden gekwalificeerd als afvalstoffen. De omstandigheid dat deze stoffen bestemd zijn voor de voedering van vee, maakt het voorgaande niet anders. Voorzover vergunninghouder ter zitting heeft verklaard dat in de inrichting alleen meel met water als veevoer wordt gebruikt overweegt de Afdeling dat uit de aanvraag niet blijkt dat de brijvoerinstallatie uitsluitend wordt gebruikt om meel met water te mengen.

De Afdeling overweegt voorts dat uit de aanvraag noch het bestreden besluit blijkt dat in de inrichting uitsluitend de stoffen, waarvan vergunninghouder en verweerder informatie hebben overgelegd, worden gebruikt. Daargelaten het antwoord op de vraag of de door verweerder genoemde stoffen als afvalstoffen moeten worden aangemerkt, kan derhalve niet worden uitgesloten dat in de inrichting andere stoffen worden opgeslagen die als afvalstoffen in de zin van artikel 1, onder a, van de Richtlijn moeten worden aangemerkt, in een hoeveelheid van meer dan 50 m3.

Vanwege het in de aanvraag ontbreken van deze informatie en nu niet is gebleken dat de aanvraag dienaangaande met nadere informatie door vergunninghouder is aangevuld of dat verweerder daaromtrent anderszins over nadere gegevens beschikt, heeft verweerder niet in redelijkheid kunnen oordelen dat de aanvraag voldoende informatie bevat om te beoordelen of hij het bevoegd gezag is. Door niettemin inhoudelijk te beslissen op de aanvraag heeft verweerder gehandeld in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht, waarin is bepaald dat het bestuursorgaan bij de voorbereiding van het besluit de nodige kennis omtrent de relevante feiten vergaart.

2.4. De beroepen zijn gegrond. Het bestreden besluit dient in zijn geheel te worden vernietigd. De Afdeling laat de beroepsgronden buiten bespreking.

2.5. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen van appellante sub 1 en appellant sub 2 gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen van 1 juli 2003, kenmerk WM 70-01;

III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen in de door appellante sub 1 in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 322,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en in de door appellant sub 2 in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 775,05, waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Nijmegen te worden betaald aan appellanten;

IV. gelast dat de gemeente Nijmegen aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 232,00 voor appellante sub 1 en € 116,00 voor appellant sub 2) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, Voorzitter, en mr. J.A.M. van Angeren en mr. M. Oosting, Leden, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt w.g. Van Hardeveld

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2004

312-396.