Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO4779

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-03-2004
Datum publicatie
03-03-2004
Zaaknummer
200304767/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 augustus 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Valkenswaard (hierna het college) ingevolge artikel 8a van de Wet voorkeursrecht gemeenten (hierna: de Wvg) aan de raad van de gemeente Valkenswaard (hierna: de raad) een voorstel gedaan om percelen van - onder meer - appellanten aan te wijzen als gronden waarop de artikelen 10-24, 26 en 27 van de Wvg van toepassing zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200304767/1.

Datum uitspraak: 3 maart 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], allen wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 4 juni 2003 in het geding tussen:

appellanten

en

de raad van de gemeente Valkenswaard.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 augustus 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Valkenswaard (hierna het college) ingevolge artikel 8a van de Wet voorkeursrecht gemeenten (hierna: de Wvg) aan de raad van de gemeente Valkenswaard (hierna: de raad) een voorstel gedaan om percelen van - onder meer - appellanten aan te wijzen als gronden waarop de artikelen 10-24, 26 en 27 van de Wvg van toepassing zijn.

Bij besluit van 27 september 2001 heeft de raad op de voet van artikel 8 van de Wvg de percelen van - onder meer - appellanten aangewezen in vorenbedoelde zin.

Bij besluit van 24 april 2002 heeft de raad het tegen het besluit van 27 september 2001 door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 juni 2003, verzonden op 11 juni 2003, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 18 juli 2003, bij de Raad van State ingekomen op 21 juli 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 6 oktober 2003 heeft de raad van antwoord gediend.`

Bij brief van 8 januari 2004 hebben appellanten nog een nader stuk ingediend. Dit stuk is in kopie aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 januari 2004, waar appellanten, vertegenwoordigd door [gemachtigde], zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Appellanten hebben in hoger beroep, zoals ter zitting is benadrukt, aandacht gevraagd voor de reeds jarenlang voortdurende onzekerheid waarin zij door de vestiging van het voorkeursrecht op hun percelen verkeren. Dienaangaande overweegt de Afdeling als volgt. Zoals blijkt uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wvg is met de invoering bij die wet van een wettelijk voorkeursrecht voor gemeenten beoogd de positie van gemeenten bij grondverwerving ten behoeve van de (tijdige) verwezenlijking van hun ruimtelijke beleid te versterken, te voorkomen dat het gemeentelijke beleid op dit terrein zou worden doorkruist door aankopen door andere gegadigden, en prijsopdrijving tegen te gaan. Inherent aan de toepassing van artikel 8 van de Wvg is dat te dien tijde van de toekomstige bestemming nog slechts een globaal beeld bestaat. In dat stadium van de planvoorbereiding kan niet op perceelsniveau worden aangegeven welke bestemming zal worden toegekend. Voorts behoeft nog niet voor elk in de aanwijzing betrokken perceel duidelijk te zijn of het kan worden ingepast. Hetgeen appellanten in zoverre hebben aangevoerd kan niet leiden tot het oordeel dat de uitspraak van de rechtbank niet in stand kan blijven.

2.2. Hetgeen appellanten voorts in hoger beroep hebben betoogd komt grotendeels neer op een herhaling van de door hen bij de rechtbank aangevoerde en door de rechtbank behandelde gronden en kan evenmin leiden tot een ander oordeel dan dat van de rechtbank. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat niet kan worden staande gehouden dat de raad niet in redelijkheid het algemeen belang, dat wordt gediend doordat de verwezenlijking van de toegedachte bestemmingen niet wordt belemmerd, zwaarder heeft kunnen laten wegen dan de gestelde individuele belangen van appellanten.

2.3. De rechtbank heeft voorts, in aanmerking genomen dat de raad grote waarde hecht aan het behoud van de bebouwingsstructuur aan de westzijde van de Mgr. Smetsstraat te Dommelen, terecht en op goede gronden geoordeeld dat hier geen sprake is van gelijke gevallen aangezien het - in de aanwijzing betrokken - perceel van [naam een der appellanten] solitair aan de oostzijde van de Mgr. Smetsstraat is gesitueerd, zodat het geen deel uitmaakt van die bebouwingstructuur. Derhalve kan niet worden volgehouden dat de vestiging van het voorkeursrecht in strijd is met het gelijkheidsbeginsel.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Voorzitter, en mr. Ch.W. Mouton en mr. W.D.M. van Diepenbeek, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom w.g. Zwemstra

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2004

91-391.