Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO4777

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-03-2004
Datum publicatie
03-03-2004
Zaaknummer
200304658/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 november 2000 heeft de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (thans de Minister, hierna: appellant) de eerder aan [wederpartij] toegekende huursubsidie over het subsidiejaar 1996/1997 op nihil vastgesteld en het teveel betaalde teruggevorderd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 7:2
Algemene wet bestuursrecht 7:3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2004, 252 met annotatie van N. Verheij
Gst. 2005, 88 met annotatie van W.P. Adriaanse
JB 2004/175
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200304658/1.

Datum uitspraak: 3 maart 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 28 mei 2003 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats]

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 november 2000 heeft de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (thans de Minister, hierna: appellant) de eerder aan [wederpartij] toegekende huursubsidie over het subsidiejaar 1996/1997 op nihil vastgesteld en het teveel betaalde teruggevorderd.

Bij besluit van 20 november 2001 heeft appellant het daartegen door [wederpartij] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 28 mei 2003, verzonden op 3 juni 2003, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 15 juli 2003, bij de Raad van State ingekomen op 16 juli 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 november 2003, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. J.M. Felkers, ambtenaar bij het ministerie, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) stelt een bestuursorgaan belanghebbenden in de gelegenheid te worden gehoord voordat het op het bezwaar beslist.

Ingevolge artikel 7:3 van de Awb kan van het horen van belanghebbenden worden afgezien indien:

a. het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is,

b. het bezwaar kennelijk ongegrond is,

c. de belanghebbenden hebben verklaard geen gebruik te willen maken van het recht te worden gehoord, of

d. aan het bezwaar volledig tegemoet wordt gekomen en andere belanghebbenden daardoor niet in hun belangen kunnen worden geschaad.

2.2. Appellant heeft aan [wederpartij] als reactie op haar bezwaarschrift van 28 november 2000 bij brief van 15 juni 2001 nadere uitleg gegeven over het primaire besluit van 8 november 2000. Bij deze brief heeft appellant een antwoordformulier gevoegd waarop [wederpartij] kon aangeven of zij het bezwaar al dan niet handhaafde. Tevens was in de brief vermeld, dat als appellant het antwoordformulier niet binnen twee weken zou ontvangen, hij ervan uit zou gaan dat [wederpartij] haar bezwaren zou handhaven en dat zij haar bezwaren niet mondeling zou wensen toe te lichten. Appellant heeft het antwoordformulier niet terugontvangen. [wederpartij] is daarom niet over haar bezwaar gehoord. Appellant heeft het door haar gemaakte bezwaar bij besluit van 20 november 2001 vervolgens ongegrond verklaard.

2.3. De rechtbank heeft, voorzover hier van belang, de beslissing op bezwaar van 20 november 2001 vernietigd, nu de door appellant ten aanzien van het horen gevolgde procedure in strijd moet worden geacht met het bepaalde in artikel 7:2 van de Awb, reeds omdat in de brief van 15 juni 2001 - waarvan de ontvangst door [wederpartij] wordt ontkend - is verzuimd een exact tijdstip vast te stellen voor de hoorzitting. De in de brief aangegeven mogelijkheid om aan te geven dat het bezwaar wordt gehandhaafd, bij gebreke waarvan wordt aangenomen dat degene die bezwaar maakt niet wenst te worden gehoord, is volgens de rechtbank ontoereikend.

2.4. Hoewel de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit op inhoudelijke gronden in stand heeft gelaten, heeft appellant tegen de vernietiging hoger beroep ingesteld, omdat het daaraan ten grondslag liggende oordeel van de rechtbank grote gevolgen heeft voor vorengenoemde, ten aanzien van het horen in huursubsidiezaken op zijn ministerie jaarlijks in naar schatting 18.000 gevallen gevolgde procedure. Voordat appellant deze handelwijze invoerde, kregen de indieners van een bezwaarschrift een schriftelijke uitnodiging om op een bepaalde datum en een bepaald tijdstip op het ministerie te verschijnen teneinde hun bezwaren toe te lichten. Deze laatste procedure leidde tot grote organisatorische problemen en ernstige vertragingen omdat de belanghebbenden niet verschenen of de hoorzitting op een andere datum moest worden gehouden. Bij de in het onderhavige geval gehanteerde procedure, die enkele jaren geleden is geïntroduceerd en waarbij wordt gewerkt met een antwoordformulier, is volgens appellant een redelijk evenwicht gevonden tussen de belangen van de indieners van bezwaarschriften, die de mogelijkheid moeten hebben hun standpunt onder de aandacht te brengen, en het belang dat zowel appellant als de belanghebbenden hebben bij een voortvarende behandeling van de bezwaarschriften.

Voorts betwist appellant de overweging van de rechtbank dat reeds het enkele feit dat in de brief van 15 juni 2001 geen exact tijdstip voor een hoorzitting wordt vermeld, tot schending van artikel 7:2 van de Awb leidt.

Naar de mening van appellant wordt met de werkwijze waarbij van de belanghebbende slechts wordt verlangd dat hij laat weten dat hij zal ingaan op een uitnodiging om zijn bezwaren mondeling toe te lichten, nog steeds voldaan aan het wettelijk vereiste dat de belanghebbenden in de gelegenheid worden gesteld te worden gehoord.

2.5. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 7:2 van de Awb blijkt dat in deze bepaling een essentieel onderdeel van de bezwaarschriftenprocedure is neergelegd. Uitzonderingen op de hoorplicht dienen dan ook restrictief te worden geïnterpreteerd. Iedere twijfel omtrent de vraag of een belanghebbende van zijn recht betreffende het horen geen gebruik heeft willen maken, verhindert dat zonder meer van het horen kan worden afgezien. Het al dan niet houden van een hoorzitting mag niet afhankelijk worden gesteld van een niet in de wet voorziene formaliteit. Niet geoorloofd is dat het bestuursorgaan een hoorzitting achterwege laat op de grond dat de bezwaarde daarom niet uitdrukkelijk heeft verzocht zoals - in dit geval - door middel van het tijdig terugzenden van een antwoordformulier. Slechts indien, overeenkomstig artikel 7:3, aanhef en onder c, van de Awb, de belanghebbende - al dan niet naar aanleiding van een daartoe strekkende vraag van het bestuursorgaan - uitdrukkelijk heeft verklaard geen gebruik te willen maken van zijn recht gehoord te worden, kan van het horen worden afgezien. De bewijslast omtrent de hiertoe gebleken toestemming dient bij het bestuursorgaan te liggen.

2.6. De rechtbank heeft de bij de brief van 15 juni 2001 geboden mogelijkheid om te reageren, bij gebreke waarvan het bezwaar moet worden geacht te worden gehandhaafd maar waarbij tevens wordt aangenomen dat degene die bezwaar maakt niet wenst te worden gehoord, terecht ontoereikend geacht om aan het bepaalde in artikel 7:2 van de Awb te voldoen. Anders dan de rechtbank heeft overwogen is hierbij echter niet van belang dat nog geen exact tijdstip was vastgesteld voor een hoorzitting. Als duidelijk is dat de betrokkene wil worden gehoord, kunnen daarna datum en tijdstip worden afgesproken. Nu in dit geval niet is gebleken dat [wederpartij] heeft verklaard geen gebruik te willen maken van het recht te worden gehoord, had appellant op grond van het bepaalde in artikel 7:3 van de Awb niet mogen afzien van het horen. De rechtbank heeft dan ook terecht, zij het op niet geheel juiste gronden, de beslissing op bezwaar van 20 november 2001 vernietigd.

2.7. Gelet op het vorenoverwogene is het hoger beroep ongegrond. De uitspraak van de rechtbank dient, voorzover aangevallen, met verbetering van gronden te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Voorzitter,

en mr. T.M.A. Claessens en mr. J.G. Treffers, Leden,

in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Dallinga

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2004

18-420.