Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO4761

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-03-2004
Datum publicatie
03-03-2004
Zaaknummer
200303565/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 april 2003, kenmerk 02/27, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Horeca Friesland B.V." een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een jachthaven op het perceel Garde Jagerswei 74, kadastraal bekend gemeente Grou, sectie A, nummer 1428. Dit besluit is op 23 april 2003 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2004/4819
Omgevingsvergunning in de praktijk 2004/3482
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200303565/1.

Datum uitspraak: 3 maart 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de vereniging "Verenigde Woonarkbezitters De Meer",

gevestigd te Naarden,

appellante,

en

het college van burgemeester en wethouders van Boarnsterhim,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 april 2003, kenmerk 02/27, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Horeca Friesland B.V." een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een jachthaven op het perceel Garde Jagerswei 74, kadastraal bekend gemeente Grou, sectie A, nummer 1428. Dit besluit is op 23 april 2003 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 2 juni 2003, bij de Raad van State ingekomen op 4 juni 2003, beroep ingesteld.

Bij brief van 7 augustus 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 januari 2004, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. W.J.W. Tuininga en A.H. Visser-Bouma, gemachtigden, en verweerder, vertegenwoordigd door drs. H. Hemmink, gemachtigde, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord vergunninghoudster, vertegenwoordigd door H. Frölich, gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1. Bij het bestreden besluit is vergunning verleend voor het verhuren van 34 vaste ligplaatsen en de verkoop van boten.

2.2. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.3. Appellante heeft zich in het beroepschrift ten dele beperkt tot het verwijzen naar de tegen het ontwerp van het besluit ingebrachte bedenkingen, namelijk voor zover het betreft de bedenkingen inzake de onnauwkeurigheid van de omschrijving van de te verrichten activiteiten (met uitzondering van de verkoop van boten), het niet hebben plaatsgevonden van coördinatie met de vaarwegbeheerder, het ontbreken van de benodigde verkeersbesluiten, het ontbreken van voorschriften op grond van de Wet op de openluchtrecreatie, het ontbreken van een advies over de brandveiligheid en het ontbreken van een beperking van de geldigheidsduur van de vergunning. In de considerans van het bestreden besluit is verweerder ingegaan op deze bedenkingen. Appellante heeft noch in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende bedenkingen in het bestreden besluit onjuist zou zijn. Ook voor het overige is niet gebleken dat die weerlegging van de bedenkingen onjuist zou zijn. Het beroep treft in zoverre geen doel.

2.4. Appellante betoogt dat een milieueffectrapport had moeten worden opgesteld, nu met de bij het bestreden besluit vergunde ligplaatsen in combinatie met een aantal bestaande en toekomstige watersportvoorzieningen een aaneengesloten strook van meer dan 400 ligplaatsen zal ontstaan.

2.4.1. Ingevolge artikel 7.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer worden bij algemene maatregel van bestuur de activiteiten die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu aangewezen. Daarbij worden een of meer besluiten van bestuursorganen ter zake van die activiteiten aangewezen, bij de voorbereiding waarvan een milieueffectrapport moet worden gemaakt.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Besluit milieueffectrapportage 1994, in samenhang met onderdeel C.10.3 van de bijlage bij het Besluit, moet een milieueffectrapport worden opgesteld in gevallen waarin de activiteit de aanleg van een jachthaven betreft met 500 ligplaatsen of meer of met 250 ligplaatsen of meer in een gevoelig gebied als bedoeld onder a, b of c van punt 1 van onderdeel A van de bijlage. Als besluit in de zin van voornoemde tweede volzin van artikel 7.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer is aangewezen de vaststelling van het ruimtelijk plan dat als eerste in de mogelijke aanleg voorziet.

De Afdeling stelt vast dat het bestreden besluit niet strekt tot vaststelling van het ruimtelijk plan dat als eerste in de mogelijke aanleg van de jachthaven voorziet. Gelet hierop heeft verweerder zich, nog daargelaten of er voor de onderhavige activiteit een plicht bestaat tot het opstellen van een milieueffectrapport, terecht op het standpunt gesteld dat in het kader van de aanvraag voor de milieuvergunning geen plicht bestond om een milieueffectrapport op te stellen. Het beroep treft in zoverre geen doel.

2.5. Appellante betoogt dat zij, ondanks een toezegging daartoe van verweerder en van diens externe adviseur, niet door verweerder is gehoord voorafgaande aan het nemen van het definitieve besluit. Daarmee is het bestreden besluit volgens haar in strijd met de wet tot stand gekomen.

2.5.1. Verweerder stelt dat hij appellante na afloop van de terinzageligging van het ontwerpbesluit heeft medegedeeld dat zij haar bedenkingen desgewenst kon toelichten. Omdat de in artikel 3:25, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht bedoelde termijn inmiddels was verstreken, heeft hij niet toegezegd dat er gelegenheid was tot een gedachtewisseling als bedoeld in deze bepaling. Zijn externe adviseur heeft dit evenmin toegezegd. Tijdens een telefonisch gesprek op 16 januari 2003 tussen de adviseur en appellante zijn de bedenkingen besproken en heeft appellante laten weten geen behoefte te hebben om een nadere toelichting te geven, aldus verweerder.

2.5.2. De Afdeling stelt vast dat appellante niet binnen de in artikel 3:25, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht genoemde termijn heeft verzocht om een gedachtewisseling. Van een toezegging van verweerder om een gedachtewisseling te houden, is de Afdeling voorts niet gebleken. Het beroep treft in zoverre geen doel.

2.6. Appellante betoogt dat verweerder heeft miskend dat de onderhavige inrichting één inrichting vormt met de naastgelegen schiphuizen (loodsen voor de stalling van boten). Daartoe voert appellante aan dat vergunninghoudster hoofdelijk aansprakelijk vennoot is in de vennootschap onder firma die de schiphuizen exploiteert, zodat vereenzelviging van vergunninghoudster met de vennootschap voor de hand ligt. Bovendien handelt verweerder in het kader van de bouwvergunningprocedure alsof er sprake is van één inrichting.

2.6.1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de onderhavige inrichting en de schiphuizen een verschillende eigenaar hebben en verschillende rechtspersonen zijn. Naar zijn mening vormen ze daarom elk een aparte inrichting. Voorts bestrijdt hij dat hij in het kader van de bouwvergunningprocedure voor het havenkantoor heeft gehandeld alsof er sprake is van één inrichting. Hij heeft slechts gesuggereerd om het havenkantoor in een van de schiphuizen te vestigen.

2.6.2. Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer wordt onder inrichting verstaan: elke door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht. Ingevolge het vierde lid van dit artikel worden daarbij als één inrichting beschouwd de tot eenzelfde onderneming of instelling behorende installaties die onderling technische, organisatorische of functionele bindingen hebben en in elkaars onmiddellijke nabijheid zijn gelegen.

Noch uit hetgeen appellante heeft aangevoerd, noch anderszins is de Afdeling gebleken van dusdanige technische, organisatorische of functionele bindingen tussen de jachthaven en de schiphuizen dat sprake is van één inrichting in de zin van artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer. Het beroep treft in zoverre geen doel.

2.7. Appellante betoogt dat uit het bestreden besluit niet duidelijk blijkt of ook de verkoop van boten is vergund.

2.7.1. De Afdeling stelt vast dat de aanvraag blijkens het dictum van het bestreden besluit deel uitmaakt van dat besluit, en dat de aanvraag mede betrekking heeft op de verkoop van boten. Het beroep treft in zoverre geen doel.

2.8. Appellante voert aan dat verweerder het bestreden besluit ten onrechte niet geheel op het ontwerp Besluit jachthavens heeft gebaseerd. Subsidiair stelt appellante dat verweerder afwijking van dit ontwerp Besluit ten onrechte niet heeft gemotiveerd.

2.8.1. Verweerder stelt zoveel mogelijk te hebben geanticipeerd op het ontwerp Besluit jachthavens, maar overigens te zijn gebonden aan het geldende recht.

2.8.2. Gelet op het feit dat het door appellante genoemde ontwerp Besluit ten tijde van het nemen van het bestreden besluit niet van kracht was, is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich bij de beoordeling van de aanvraag niet op dit ontwerp Besluit heeft hoeven te baseren. Het beroep treft in zoverre geen doel.

2.9. Appellante betwijfelt de juistheid van de stelling in het bestreden besluit dat voor de onderhavige activiteit geen vergunning ingevolge de Wet verontreiniging oppervlaktewateren nodig is. Daarnaast voert appellante aan dat het bestreden besluit in strijd is met de keur van het Waterschap Marne-Middelsee, omdat vergunningen en ontheffingen die ingevolge deze keur aanwezig moeten zijn, ontbreken.

2.9.1. Verweerder stelt dat er blijkens de aanvraag geen lozing van afvalwater op het oppervlaktewater plaatsvindt. Daarom is er volgens verweerder geen vergunning ingevolge de Wet verontreiniging oppervlaktewateren vereist, welk standpunt het Wetterskip Fryslân (de rechtsopvolger van Waterschap Marne-Middelsee) deelt. Het ontbreken van vergunningen en ontheffingen die ingevolge de door appellante genoemde keur aanwezig moeten zijn, kan volgens verweerder geen grond zijn om het bestreden besluit te vernietigen.

2.9.2. De Afdeling overweegt dat het beroep voor zover dat zich richt tegen mogelijke toekomstige lozingen op het oppervlaktewater, wat daar ook van zij, niet ziet op het bestreden besluit. Ten aanzien van de door appellante genoemde keur overweegt de Afdeling dat ook deze niet ziet op het onderwerp van het bestreden besluit. Het bestreden besluit kan om deze redenen niet voor vernietiging in aanmerking komen, zodat het beroep in zoverre geen doel treft.

2.10. Appellante voert aan dat verweerder ten onrechte 34 parkeerplaatsen heeft vergund, aangezien slechts 10 plaatsen zijn aangevraagd. Volgens appellante is er geen ruimte voor 34 auto’s op het terrein van de inrichting.

2.10.1. Verweerder stelt dat er 30 parkeerplaatsen zijn aangevraagd. Hij heeft de aanwezigheid van 34 plaatsen voorgeschreven omdat er ook 34 ligplaatsen in de inrichting aanwezig zijn. Door evenveel parkeerplaatsen voor te schrijven als er ligplaatsen zijn hoopt verweerder overlast van geparkeerde auto’s in de omgeving zoveel mogelijk te voorkomen. Volgens verweerder is er voldoende ruimte op het terrein van de inrichting om 34 auto’s te parkeren.

2.10.2. De Afdeling stelt vast dat vergunninghoudster 30 parkeerplaatsen heeft aangevraagd en dat verweerder heeft voorgeschreven dat er ten minste 34 parkeerplaatsen op het terrein van de inrichting aanwezig moeten zijn. Voor zover appellante betoogt dat aldus de grondslag van de aanvraag is verlaten, overweegt de Afdeling dat hiervan gezien het geringe aantal extra voorgeschreven parkeerplaatsen geen sprake is. Naar het oordeel van de Afdeling heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het onderhavige voorschrift aan de vergunning diende te worden verbonden om parkeeroverlast in de omgeving van de inrichting te beperken. Nu niet is gebleken dat er op het terrein van de inrichting onvoldoende ruimte is om 34 auto’s te parkeren, treft het beroep in zoverre geen doel.

2.11. Appellante betoogt dat verweerder het gebruik van verlichting op het terrein van de inrichting heeft vergund, terwijl dit niet is aangevraagd. Appellante wil dat het desbetreffende voorschrift wordt vervangen door regels uit het ontwerp Besluit jachthavens.

2.11.1. Naar het oordeel van de Afdeling heeft verweerder er in redelijkheid van kunnen uitgaan dat er verlichting op het terrein van de inrichting aanwezig zal zijn. Gelet hierop heeft hij dan ook een voorschrift aan het bestreden besluit kunnen verbinden dat lichthinder door de inrichting beoogt te voorkomen. Ten aanzien van het door appellante genoemde ontwerp Besluit jachthavens verwijst de Afdeling naar haar eerdere overweging hieromtrent. Het beroep treft in zoverre geen doel.

2.12. Appellante betoogt dat verweerder de aanvraag om het bestreden besluit ten onrechte noch integraal heeft beoordeeld, noch heeft gecoördineerd met de aanvragen om een bouwvergunning voor het havenkantoor en voor aanlegsteigers.

2.12.1. De Afdeling overweegt dienaangaande dat ter zitting is gebleken dat het havenkantoor niet zal worden gerealiseerd, en voorts dat in artikel 20.8 van de Wet milieubeheer een coördinatiebepaling is opgenomen. Ingevolge deze bepaling wordt de milieuvergunning, in gevallen waarin deze betrekking heeft op het oprichten of veranderen van een inrichting dat tevens als bouwen in de zin van de Woningwet is aan te merken, niet eerder van kracht dan nadat de betrokken bouwvergunning is verleend. Het is daarom mogelijk een vergunning ingevolge de Wet milieubeheer af te geven voordat een bouwvergunning is verleend. Van de desbetreffende milieuvergunning kan evenwel pas gebruik worden gemaakt nadat deze - na het verlenen van de bouwvergunning - van kracht is geworden. Er bestond voor verweerder dan ook niet de verplichting de procedures tot verlening van de milieuvergunning en een bouwvergunning te coördineren. Het beroep treft in zoverre geen doel.

2.13. Appellante voert aan dat het in werking zijn van de inrichting zal leiden tot verkeersonveilige situaties in de omgeving, zowel op het land als op het water.

Deze beroepsgrond heeft geen betrekking op het belang van de bescherming van het milieu in de zin van artikel 8.10 van de Wet milieubeheer en treft reeds om die reden geen doel.

2.14. Het beroep is ongegrond.

2.15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, Voorzitter, en drs. H. Borstlap en mr. P.C.E. van Wijmen, Leden, in tegenwoordigheid van drs. G.K. Klap, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Klap

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2004

315-442.