Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO4751

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-02-2004
Datum publicatie
02-03-2004
Zaaknummer
200400792/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 december 2003, kenmerk Wm0687/2003/10451, heeft verweerder aan verzoekster een last onder dwangsom als geregeld in artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht opgelegd. De dwangsom is vastgesteld op € 500 per keer dat voorschrift 44 van de op 26 oktober 1999 aan verzoekster verleende vergunning krachtens de Wet milieubeheer wordt overtreden op het adres [locatie] te [plaats]. Het maximum waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd is vastgesteld op € 15.000.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2004/2387
Milieurecht Totaal 2004/4635
JOM 2006/1046
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200400792/1.

Datum uitspraak: 25 februari 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoekster], gevestigd te [plaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Echt-Susteren,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 december 2003, kenmerk Wm0687/2003/10451, heeft verweerder aan verzoekster een last onder dwangsom als geregeld in artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht opgelegd. De dwangsom is vastgesteld op € 500 per keer dat voorschrift 44 van de op 26 oktober 1999 aan verzoekster verleende vergunning krachtens de Wet milieubeheer wordt overtreden op het adres [locatie] te [plaats]. Het maximum waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd is vastgesteld op € 15.000.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt.

Bij brief van 27 januari 2004, bij de Raad van State op dezelfde dag per fax ingekomen, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 16 februari 2004, waar verzoekster, vertegenwoordigd door mr. J.L. Stoop, advocaat te Maastricht, en N. van Laar, gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. C.M.S. Scheepers, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Verzoekster betoogt onder meer dat voorschrift 44 niet handhaafbaar is. Zij voert daartoe aan dat het voorschrift onvoldoende concreet is en geen objectieve maatstaven bevat waaraan getoetst kan worden. Hierdoor is volgens haar niet duidelijk welke maatregelen zij moet treffen om aan voorschrift 44 te voldoen. Verzoekster sluit overigens niet uit dat de hoogte van de schoorsteen niet meer toereikend is sinds de vestiging van de naastgelegen inrichting Tholen Textiel B.V., nu het dak van deze inrichting hoger is dan haar schoorsteen. In dit kader merkt zij op dat zij een melding als geregeld in artikel 8.19, tweede lid, van de Wet milieubeheer heeft gedaan die betrekking heeft op het verhogen van de schoorsteen tot zes meter en het aanleggen van een verbeterde mechanische afzuiging.

2.2. Ingevolge het aan de vergunning verbonden voorschrift 44 moet de emissie van geurstoffen uit de inrichting door het treffen van maatregelen zodanig zijn dat hinder door geur in de omgeving wordt voorkomen.

2.3. De Voorzitter overweegt dat voorschrift 44 slechts vermeldt dat geurhinder moet worden voorkomen. Uit dit voorschrift blijkt niet welke geurconcentratie volgens verweerder nog acceptabel is. Derhalve is niet duidelijk wanneer sprake is van overtreding van voorschrift 44. Gelet hierop kan naar het oordeel van de Voorzitter niet worden geconstateerd of voorschrift 44 ten tijde van het nemen van het bestreden besluit werd overtreden, zodat verweerder niet bevoegd was tot het opleggen van een last onder dwangsom.

De Voorzitter overweegt ten overvloede dat het verhogen van de schoorsteen tot zes meter en het aanleggen van een verbeterde mechanische afzuiging, welke veranderingen volgens verweerder blijkens het verhandelde ter zitting waarschijnlijk gelegaliseerd kunnen worden, een mogelijke vermindering van de geurhinder tot gevolg hebben.

2.4. Gelet op het bovenstaande ziet de Voorzitter aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

2.5. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Echt-Susteren van 17 december 2003, kenmerk Wm0687/2003/10451;

II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Echt-Susteren in de door verzoekster in verband met de behandeling van het verzoek gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 698,48, waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het totale bedrag dient door de gemeente Echt-Susteren te worden betaald aan verzoekster;

III. gelast dat de gemeente Echt-Susteren aan verzoekster het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht (€ 232,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J. Heijerman, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink w.g. Heijerman

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2004

255-446.