Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO4747

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-02-2004
Datum publicatie
02-03-2004
Zaaknummer
200400480/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 november 2003, kenmerk SB/Mil/OJ/hl/2003/1876 heeft verweerder ingestemd met een saneringsplan voor de locatie Olieslagerslaan 32, 34, 36 en 44 te Haarlem.

Wetsverwijzingen
Wet bodembescherming
Wet bodembescherming 39
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2004, 71
JBO 2005/82
JOM 2006/1045
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200400480/1.

Datum uitspraak: 25 februari 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoekers], zich zelf noemende "Wijkraad Koninginnebuurt & Omwonenden”, te Haarlem,

en

het college van burgemeester en wethouders van Haarlem,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 november 2003, kenmerk SB/Mil/OJ/hl/2003/1876 heeft verweerder ingestemd met een saneringsplan voor de locatie Olieslagerslaan 32, 34, 36 en 44 te Haarlem.

Tegen dit besluit hebben verzoekers bezwaar gemaakt. Bij brief van 15 januari 2003, bij de Raad van State ingekomen diezelfde dag, hebben verzoekers de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 17 februari 2004. Namens verzoekers is daar het woord gevoerd door mr. H.J. van der Hauw, advocaat te Velzen, en [gemachtigde]. Verweerder is vertegenwoordigd door mr. L.E.A.M. Grapperhaus en J.H. Oosterveen, ambtenaren van de gemeente. Namens DMV Vastgoed Ontwikkeling B.V. zijn verschenen mr. J.C. Ellerman, advocaat te Amsterdam, en ing. J. Drapers en drs. A.F.J. Bleumink, gemachtigden.

2. Overwegingen

2.1. Verzoekers stellen zich op het standpunt – kort weergegeven – dat de uitvoering van het saneringsplan ten koste gaat van monumentale bomen, met name vanwege de plaatsing van damwanden nabij die bomen.

2.2. Gezien de beschikbare bodemonderzoeken neemt de Voorzitter aan dat de bodem ter plaatse is verontreinigd en gesaneerd dient te worden. Het saneringsplan voorziet in een ontgraving waarvan de omvang gelijk is aan die van de parkeerkelder van het appartementencomplex dat ter plaatse beoogd is.

2.3. Tussen verzoeker en verweerder zijn stukken gewisseld over het behoud van enkele monumentale bomen ter plaatse. Daarbij is van de kant van verweerder het belang van het behoud van die bomen bevestigd en is in dat verband toegezegd dat het advies van de fa. Copijn als voorwaarde wordt opgenomen in de bouwvergunning. Ook ter zitting heeft verweerder het belang van die bomen bevestigd. Volgens hem is de bescherming van die bomen voldoende gewaarborgd in de op 19 december 2003 verleende bouwvergunning voor de parkeerkelder en het appartementencomplex. Die bescherming betreft volgens hem echter geen aspect dat van belang is bij de beoordeling van het saneringsplan.

2.4. Verweerder heeft de Voorzitter er niet van kunnen overtuigen dat sanering tot aan de omvang van de parkeerkelder noodzakelijk is in verband met de in het verkennend bodemonderzoek en het nader bodemonderzoek geconstateerde verontreinigingen en dat bij die omvang het behoud van de bomen is gegarandeerd.

2.5. De uitvoering van het saneringsplan loopt hiermee vooruit op de vrijstelling en de bouwvergunning voor het appartementencomplex met parkeerkelder. Tegen de bouwvergunning is bezwaar gemaakt. Tevens is schorsing van de bouwvergunning gevraagd. Nu de omvang van de sanering geheel is bepaald door het bouwplan, terwijl juist vanwege die omvang niet is uit te sluiten dat de sanering onomkeerbare gevolgen heeft voor de bomen, ziet de Voorzitter aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen, zoals hierna onder 3. is weergegeven.

2.6. Verweerder dient te worden veroordeeld in de proceskosten.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Haarlem van 28 november 2003, kenmerk SB/Mil/OJ/hl/2003/1876, tot dat is beslist op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening terzake de bouwvergunning van 19 december 2003, met dien verstande dat indien een voorlopige voorziening wordt getroffen ten aanzien van de bouwvergunning, de schorsing van het besluit van 28 november 2003 doorloopt tot aan de beslissing op het daartegen gerichte bezwaar;

II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Haarlem in de door verzoekers in verband met de behandeling van het verzoek gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 351,25, waarvan een gedeelte groot € 322,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het totale bedrag dient door de gemeente Haarlem te worden betaald aan verzoekers;

III. gelast dat de gemeente Haarlem aan verzoekers het door hen voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht (€ 116,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.A.G. Stolker, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Stolker

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2004

157.