Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO4741

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-02-2004
Datum publicatie
02-03-2004
Zaaknummer
200308810/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 november 2003, kenmerk U.12846/MR/cl, heeft verweerder aan verzoeker lasten onder dwangsom als bedoeld in artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200308810/1.

Datum uitspraak: 23 februari 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

en

het dagelijks bestuur van de deelgemeente Overschie,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 november 2003, kenmerk U.12846/MR/cl, heeft verweerder aan verzoeker lasten onder dwangsom als bedoeld in artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht opgelegd.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bezwaar gemaakt.

Bij brief van 23 december 2003, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, heeft verzoeker de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 10 februari 2004, waar verzoeker in persoon en bijgestaan door mr. A. van Diermen, gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. B.M.R.D. Menting, L.R. Klouwens, gemachtigden, en drs. D. Noppe, ambtenaar van de deelgemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot toepassing van bestuursdwang.

Krachtens artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan een bestuursorgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.

Ingevolge artikel 5:32, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt in de beschikking die strekt tot het ongedaan maken van een overtreding of het voorkomen van verdere overtreding, een termijn gesteld gedurende welke de overtreder de last kan uitvoeren zonder dat een dwangsom wordt verbeurd.

Ingevolge artikel 1.1, vierde lid, van de Wet milieubeheer wordt als één inrichting beschouwd de tot eenzelfde onderneming of instelling behorende installaties die onderling technische, organisatorische of functionele bindingen hebben en in elkaars onmiddellijke nabijheid zijn gelegen.

2.2. Verzoeker betoogt dat verweerder hem ten onrechte heeft aangeschreven als overtreder van de in het bestreden besluit genoemde voorschriften. Hij voert in dit verband aan dat hij zich niet bezighoudt met reparatie van auto’s en alles wat daarmee samenhangt. Bovendien volgt volgens verzoeker uit jurisprudentie dat een verhuurder niet als overtreder kan worden aangeschreven omdat hij het ten gevolge van de uitgifte in verhuur niet langer in zijn macht heeft om de overtreding ongedaan te maken.

Verzoeker betoogt verder dat geen sprake is van één inrichting in de zin van de Wet milieubeheer omdat er niet of nauwelijks technische, organisatorische of functionele bindingen bestaan tussen de garageboxen en de spuitcabine.

2.2.1. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting maakt de Voorzitter op dat de meeste garageboxen zijn aangesloten op een gemeenschappelijke afwatering naar een centrale put, dat de boxen die perslucht gebruiken vanuit de spuitcabine van perslucht worden voorzien en dat elektriciteit centraal wordt betrokken. Verder blijkt uit de stukken dat centrale inzameling en afvoer plaatsvindt van schroot, bumpers en ander afval en van accu’s, afgewerkte olie en ander gevaarlijk afval. Naast deze technische en functionele bindingen bestaan naar het oordeel van de Voorzitter bovendien zodanige organisatorische bindingen tussen de garageboxen en de spuitcabine dat sprake is van één inrichting in de zin van artikel 1.1, vierde lid, van de Wet milieubeheer. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting is voldoende aannemelijk geworden dat verzoeker het rechtens en feitelijk in zijn macht heeft de overtredingen ongedaan te maken. Zo is ter zitting onder meer gebleken dat op initiatief en gezag van verzoeker vloeistofdichte vloeren in de garageboxen worden aangebracht.

Verzoeker dient, gelet op het voorgaande, evenals [partij], te worden beschouwd als degene die de inrichting drijft. Verweerder heeft verzoeker dan ook terecht aangeschreven als overtreder. Dat in toenemende mate in huurovereenkomsten de naam van de Autohobbyclub Kleiweg als verhuurder wordt genoemd doet aan het voorgaande niet af nu noch uit de stukken, noch anderszins, de rechtspersoonlijkheid van de Autohobbyclub is komen vast te staan en verzoeker ter zitting heeft erkend op zijn beurt de garageboxen te hebben verhuurd aan de Autohobbyclub.

2.3. Verzoeker voert aan dat de termijn gedurende welke de lasten kunnen worden uitgevoerd te kort is gesteld. Hij betoogt in dit verband dat in strijd met artikel 20.1, eerste lid, in samenhang met artikel 20.3, eerste lid, van de Wet milieubeheer door verweerder is bepaald dat de beschikking in werking treedt op de dag na de dag waarop deze aan verzoeker is toegezonden.

2.3.1. Artikel 20.4 van de Wet milieubeheer, voor zover hier van belang, bepaalt dat artikel 20.3 niet van toepassing is op besluiten krachtens de artikelen 125 van de Gemeentewet en 5:32 van de Algemene wet bestuursrecht, voor zover het besluiten betreft die betrekking hebben op de handhaving van het bepaalde bij of krachtens de wetten waarop hoofdstuk 18 van toepassing is. Verweerder heeft gelet hierop, en gelet op het bepaalde in de artikelen 3:40 en 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht, op goede gronden bepaald dat het bestreden besluit in werking treedt op de dag na de dag waarop deze aan verzoeker is toegezonden.

In het bestreden besluit is, voor zover hier van belang, bepaald dat de geconstateerde overtredingen binnen drie maanden na het inwerking treden van de beschikking ongedaan moeten worden gemaakt. De Voorzitter betwijfelt of binnen deze termijn aan alle in het bestreden besluit genoemde lasten kan worden voldaan. De Voorzitter ziet dan ook aanleiding het verzoek in zoverre in te willigen en de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

2.4. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het dagelijks bestuur van de deelgemeente Overschie van 20 november 2003, kenmerk U.12846/MR/cl, voor zover het de gestelde termijn gedurende welke de lasten kunnen worden uitgevoerd betreft;

II. treft de voorlopige voorziening dat de in het besluit van 20 november 2003, kenmerk U.12846/MR/cl, genoemde lasten moeten zijn uitgevoerd binnen drie maanden na verzending van deze uitspraak;

III. veroordeelt het dagelijks bestuur van de deelgemeente Overschie in de door verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 364,68, waarvan een gedeelte groot € 322,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het totale bedrag dient door de deelgemeente Overschie te worden betaald aan verzoeker;

IV. gelast dat de deelgemeente Overschie aan verzoeker het door hem voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht (€ 116,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. D.A.J. Overdijk, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Overdijk

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2004

320-415.