Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO4738

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-02-2004
Datum publicatie
02-03-2004
Zaaknummer
200308604/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 oktober 2003, kenmerk SB/MIL/HuB/mg/01/949/1590, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan NS Railinfrabeheer B.V. (tegenwoordig Railinfrabeheer B.V.) een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een goederenspoorwegemplacement aan de Westergracht ongenummerd te Haarlem. Dit besluit is op 6 november 2003 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200308604/2.

Datum uitspraak: 23 februari 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

Werkgroep Westergrachtterrein EKP en anderen, gevestigd respectievelijk wonend te Haarlem,

verzoekers,

en

het college van burgemeester en wethouders van Haarlem,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 oktober 2003, kenmerk SB/MIL/HuB/mg/01/949/1590, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan NS Railinfrabeheer B.V. (tegenwoordig Railinfrabeheer B.V.) een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een goederenspoorwegemplacement aan de Westergracht ongenummerd te Haarlem. Dit besluit is op 6 november 2003 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben verzoekers bij brief van 18 december 2003, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld.

Bij afzonderlijke brief van 18 december 2003, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hebben verzoekers de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 20 januari 2004, waar verzoekers, vertegenwoordigd door H.E.K. de Bruin en F. Nieuwenhuis, gemachtigden, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. P. Spigt en H. Bosman, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is vergunninghoudster, vertegenwoordigd door R.H. Wiemer, gemachtigde, daar gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Ter zitting hebben verzoekers hun verzoek beperkt tot de geluidnormen die gelden in de eerste drie jaar na inwerkingtreding van het bestreden besluit.

2.3. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voor zover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.4. Verzoekers betogen dat een gevaarlijke verkeerssituatie zal ontstaan als gevolg van het gebruik van de railinzetplaats.

2.4.1. Deze verzoeksgrond heeft geen betrekking op het belang van de bescherming van het milieu in de zin van artikel 8.10 van de Wet milieubeheer. Reeds hierom komt het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening in zoverre niet voor inwilliging in aanmerking.

2.5. Verzoekers stellen in de nachtperiode (van 23.00 tot 7.00 uur) de meeste geluidhinder te ondervinden. Zij achten de in de aan de vergunning verbonden voorschriften G.2.1 en G.2.2 opgenomen geluidgrenswaarden voor deze periode te hoog. Voorts vinden zij de in het bestreden besluit opgenomen termijn van drie jaar, na afloop waarvan strengere normen zullen gelden, te lang.

2.5.1. Verweerder erkent dat omwonenden van de inrichting geluidhinder vanwege de inrichting ondervinden en zullen blijven ondervinden. Verweerder heeft zich wat betreft de geluidnormering aangesloten bij onder meer de circulaire ‘Geluidhinder veroorzaakt door spoorwegemplacementen; beoordeling in het kader van de vergunningverlening op basis van de Wet milieubeheer’ van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 13 januari 1998. Verweerder heeft de in de vergunning opgenomen geluidnormen voor de eerste drie jaar na inwerkingtreding van de vergunning (aangeduid als fase 1) gebaseerd op de ten tijde van de aanvraag heersende geluidbelasting. Hij heeft zich hierbij op het standpunt gesteld dat geluidreducerende maatregelen nodig en mogelijk zijn, maar vergunninghoudster een termijn van drie jaar gegund om deze nader te onderzoeken en te treffen. Voor de periode na deze drie jaar (aangeduid als fase 2) gelden strengere geluidnormen, die zijn gebaseerd op de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening uit 1998 (hierna: Handreiking).

2.5.2. Het aan de vergunning verbonden voorschrift G.2.1 bevat in tabel G.2.1.3 de langtijdgemiddelde geluidgrenswaarden (LAr,LT) voor de nachtperiode in fase 1. Deze grenswaarden variëren van 18 tot en met 45 dB(A). Het aan de vergunning verbonden voorschrift G.2.2 bevat in tabel G.2.2.2 de maximale piekgeluidgrenswaarden (LAmax) voor de nachtperiode in fase 1. Deze grenswaarden variëren van 75 tot en met 81 dB(A).

2.5.3. De Voorzitter stelt vast dat in het onderhavige geval sprake is van een feitelijk al heel lang bestaande situatie. De Voorzitter acht in beginsel aanvaardbaar dat bij bestaande spoorwegemplacementen voor een gefaseerde aanpak van de geluidbelasting wordt gekozen, door voor een overgangsperiode waarin de normen uit de Handreiking nog niet haalbaar zijn de bestaande geluidbelasting te vergunnen. Voor zover verweerder in dit verband voornoemde circulaire van 13 januari 1998 heeft gehanteerd, is dit niet in strijd met het recht.

2.5.4. Ten aanzien van de maximale piekgeluidgrenswaarden (LAmax) in fase 1 zoals opgenomen in tabel G.2.2.2 van voorschrift G.2.2 overweegt de Voorzitter als volgt. Uit de stukken blijkt dat de maximale piekgeluidniveaus twee tot vier keer optreden in de nachtperiode en voornamelijk worden veroorzaakt door het remmen en het rijden door wissels. De voorgeschreven piekgeluidgrenswaarden wijken aanzienlijk af van de maximale piekgeluidgrenswaarden zoals die in de Handreiking nog als aanvaardbaar worden aangemerkt, te weten 65 dB(A) voor de nachtperiode in bepaalde nader omschreven situaties. Aangenomen moet worden dat piekgeluidniveaus tot 81 dB(A) aanleiding kunnen geven tot slaapstoornissen en schrikreacties. Verweerder stelt in de considerans van het bestreden besluit ook dat de piekgeluidniveaus hoog te noemen zijn en ernstige hinder kunnen veroorzaken.

In het kader van het zogenoemde Project Industrielawaai emplacementen (zowel PRIL 1 en PRIL 2) is gebleken dat maatregelen bestaan die kunnen leiden tot een reductie van op spoorwegemplacementen optredende piekgeluidniveaus, zoals het voegloos maken van het spoor. In het onderhavige geval is door verweerder noch vergunninghoudster voldoende aannemelijk gemaakt dat niet een of meerdere van deze maatregelen op korte termijn in de inrichting getroffen kunnen worden. Voorts acht de Voorzitter het gelet op het verhandelde ter zitting onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het onmogelijk is om organisatorische maatregelen te treffen (zoals het verplaatsen van de activiteiten in de nachtperiode naar een andere periode) die de optredende maximale piekgeluidniveaus op korte termijn kunnen beperken. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom vergunninghoudster pas drie jaar na inwerkingtreding van de vergunning aan strengere maximale piekgeluidgrenswaarden moet voldoen. Het bestreden besluit is wat betreft de maximale piekgeluidgrenswaarden (LAmax) in de nachtperiode in fase 1 in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht niet van een deugdelijke motivering voorzien.

De Voorzitter ziet in zoverre aanleiding een voorlopige voorziening te treffen.

2.5.5. Ten aanzien van de langtijdgemiddelde geluidgrenswaarden (LAr,LT) in fase 1 zoals opgenomen in tabel G.2.1.3 van voorschrift G.2.1 overweegt de Voorzitter als volgt. In het aan de vergunning verbonden voorschrift G.6.1 is bepaald dat de rijsnelheid van rangerende locomotieven in onder meer de nachtperiode maximaal 20 km/u mag bedragen. Blijkens het bij de aanvraag gevoegde akoestisch rapport neemt het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) in onder meer de nachtperiode ter hoogte van rekenpunt 6 als gevolg van deze maatregel af met 2 tot 3 dB(A). De Voorzitter stelt vast dat verweerder, door de geluidnormen in fase 1 te baseren op de ten tijde van het nemen van het bestreden besluit bestaande geluidbelasting, zoals deze blijkt uit het akoestisch rapport en waarbij is uitgegaan van een hogere gemiddelde rijsnelheid, voornoemde maatregel niet in de voorgeschreven norm heeft verdisconteerd. Gelet op het vorenstaande is de in tabel G.2.1.3 van voorschrift G.2.1 voor rekenpunt 6 opgenomen langtijdgemiddelde geluidgrenswaarde (LAr,LT) voor de nachtperiode te hoog. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met artikel 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer.

Het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening komt in zoverre voor inwilliging in aanmerking.

2.6. Het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht komt gedeeltelijk voor inwilliging in aanmerking. De Voorzitter ziet aanleiding het bestreden besluit te schorsen voor zover daarbij het in werking zijn van de inrichting in de nachtperiode is vergund.

2.7. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Haarlem van 28 oktober 2003, kenmerk SB/MIL/HuB/mg/01/949/1590, voor zover daarbij het in werking zijn van de inrichting in de nachtperiode is vergund;

II. gelast dat de gemeente Haarlem aan verzoekers het door hen voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht (€ 232,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Van Heusden

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2004

163-442.