Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO4624

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-02-2004
Datum publicatie
01-03-2004
Zaaknummer
200400743/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 december 2003, kenmerk A10/0053 DMB 2003, heeft verweerder op verzoek van projectbureau Noord/Zuidlijn bepaald dat onder voorwaarden wordt afgezien van handhavend optreden met betrekking tot het door dat projectbureau zonder de vereiste vergunning oprichten en in gebruik nemen van het werkplatform voor de aanleg van de Noord/Zuidlaan, gelegen in de Singelgracht met een leidingentracé in de Lijnbaansgracht, de Boerenwetering en 1e Jan van der Heijdenstraat, waarvoor op 29 september 2003 een vergunningaanvraag is ingediend. Het besluit vervalt indien de vergunning van kracht is geworden, doch uiterlijk 29 maart 2003; indien tegen de vergunning een verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend, vervalt het besluit op het moment dat op dat verzoek is beslist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200400743/1.

Datum uitspraak: 20 februari 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

1. de stichting "Stichting Behou Gerard Dou”, gevestigd te Amsterdam,

2. [verzoekers sub 2], wonend te Amsterdam,

3. [verzoeker sub 3], wonend te Amsterdam,

verzoekers,

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 december 2003, kenmerk A10/0053 DMB 2003, heeft verweerder op verzoek van projectbureau Noord/Zuidlijn bepaald dat onder voorwaarden wordt afgezien van handhavend optreden met betrekking tot het door dat projectbureau zonder de vereiste vergunning oprichten en in gebruik nemen van het werkplatform voor de aanleg van de Noord/Zuidlaan, gelegen in de Singelgracht met een leidingentracé in de Lijnbaansgracht, de Boerenwetering en 1e Jan van der Heijdenstraat, waarvoor op 29 september 2003 een vergunningaanvraag is ingediend. Het besluit vervalt indien de vergunning van kracht is geworden, doch uiterlijk 29 maart 2003; indien tegen de vergunning een verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend, vervalt het besluit op het moment dat op dat verzoek is beslist.

Tegen dit besluit hebben verzoekers bezwaar gemaakt. Tevens hebben zij

de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 17 februari 2004. Verzoekster sub 1 is daar vertegenwoordigd door E. Visser, gemachtigde.

Verzoekers sub 2 zijn vertegenwoordigd door mr. H.A. Sarolea, advocaat te Amsterdam. Verder heeft [verzoeker sub 3] het woord gevoerd. Verweerder is vertegenwoordigd door drs. D.B. Stadig, wethouder, en mr. H. Drupsteen, R.P.A. Kramer en V.P. Fournadjiev, ambtenaren van de gemeente. Namens Projectbureau Noord /Zuidlijn is het woord gevoerd door mr. N.S.J. Koeman, advocaat te Amsterdam.

2. Overwegingen

2.1. Voor het betreffende werkplatform is eerder vergunning verleend bij besluit van 17 juli 2002; dit besluit is bij uitspraak van 20 augustus 2003 door de Afdeling vernietigd.

2.2. Verzoekers hebben een voorlopige voorziening gevraagd in verband met de bezwaren die zij hebben tegen de gedoogbeschikking. Hun bezwaren richten zich in de eerste plaats tegen het feit dat in dit geval aanvrager en vergunningverlener in feite het zelfde bestuursorgaan zijn, dat het besluit niet past in het gedoogbeleid van verweerder en dat er slechts een zeer korte tijd is geboden om te reageren op een ontwerp-gedoogbesluit.

2.2.1. De Voorzitter overweegt als volgt.

2.2.2. Geen wettelijke bepaling staat er aan in de weg dat een bestuursorgaan in een procedure tot vergunningverlening zowel als aanvrager als als vergunningverlener optreedt. Een dergelijke situatie is ook niet in strijd met algemene rechtsbeginselen of algemene beginselen van behoorlijk bestuur. In een dergelijke geval kan de aanvrager, zoals ieder ander, verzoeken om een bepaalde situatie te gedogen.

Gelet op de op 29 september 2003 ingediende vergunningaanvraag en de overige omstandigheden van het geval is de Voorzitter niet gebleken dat het onderhavige gedoogbesluit niet past binnen de criteria voor het geldende gedoogbeleid van verweerder.

Ook het feit dat slechts gedurende zeer korte termijn gelegenheid is geboden om te reageren op een ontwerp-gedoogbesluit, vormt geen grond voor het treffen van een voorlopige voorziening, nu verweerder bij het nemen van een gedoogbesluit niet is gebonden aan wettelijke termijnen voor het indienen van zienswijzen en/of bedenkingen.

2.3. Verzoekers maken tevens bezwaar tegen het feit dat de aanvraag voor het werkplatform is aangepast in verband met de verandering van de werkwijze bij de aanleg van de bouwputten voor de stations Vijzelgracht en Ferdinand Bolstraat en dat de werktijden zijn verruimd. Verder klagen zij over impulsachtig en tonaal geluid als gevolg waarvan het werkplatform niet zou kunnen voldoen aan de gestelde geluidsnormen. Ook zijn bezwaren naar voren gebracht tegen de aanleg van de stations, de werkwijze bij de bouwputten en de aanleg van het werkplatform.

2.3.1. Verweerder wijst erop dat de activiteiten op het werkplatform en daarmee de hinder die van het platform zal worden ondervonden in vergelijking met de vorige vergunning zijn verminderd. Naar zijn mening zijn de gestelde geluidnormen voor het werkplatform in overeenstemming met de daarvoor geldende regels en is er geen sprake van tonaal en/of impulsachtig geluid.

2.4. De Voorzitter stelt vast dat als gevolg van een andere werkwijze bij de aanleg van de bouwputten voor de stations Vijzelgracht en Ferdinand Bolstraat er minder activiteiten op het werkplatform behoeven plaats te vinden in vergelijking met de vorige vergunning. Dat als gevolg van deze andere werkwijze, waarbij uitgegraven grond per vrachtauto vanuit de bouwputten zal worden afgevoerd, in de Ferdinand Bolstraat meer hinder te verwachten valt, is in de onderhavige procedure niet aan de orde, nu de bouwputten geen deel uitmaken van de inrichting waarop de gedoogbeschikking betrekking heeft.

2.5. Uit het bij de vergunningaanvraag gevoegde akoestisch rapport van Cauberg-Huygen nr. 20030922-9 blijkt dat de berekende langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus voor de representatieve bedrijfssituatie de waarde van 50 dB(A) niet overschrijden. Aan het besluit is de voorwaarde verbonden dat binnen twee maanden na ingebruikname van de inrichting door of namens vergunninghouder door middel van geluidsmeting eventueel aangevuld met berekeningen moet worden aangetoond dat aan de geluidsgrenswaarden uit de voorschriften F-4 en F-5 wordt voldaan. Verder is in de voorwaarden bepaald dat meting, berekening en beoordeling van geluidsniveaus moet plaatsvinden overeenkomstig de Handleiding meten en rekenen industrielawaai (VROM 1999). Dit betekent dat bij aanwezigheid van tonaal geluid een straffactor van 5 dB(A) in acht moet worden genomen. Overigens heeft verzoeker sub 3 naar het oordeel van de Voorzitter niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van tonaal geluid en biedt het akoestisch rapport daar evenmin aanwijzingen voor. Voor de veronderstelling dat de inrichting om deze reden niet aan de gestelde geluidvoorschriften kan voldoen, bestaat dan ook geen grond.

Ook de uitbreiding van de werktijden in vergelijking met de vorige vergunning brengt niet mee dat het werkplatform niet aan de gestelde geluidvoorschriften kan voldoen.

2.6. In de overigens door verzoekers aangevoerde bezwaren vindt de Voorzitter geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst de verzoeken af.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.A.G. Stolker, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Stolker

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2004

157.