Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO4619

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-02-2004
Datum publicatie
01-03-2004
Zaaknummer
200400411/1 en 200400411/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 juli 2003 heeft appellant het verzoek van [verzoeker] om toekenning van de indicatie “absolute urgentie” als woningzoekende afgewezen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:72
Algemene wet bestuursrecht 8:85
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2004/148 met annotatie van F.A.M. S.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200400411/1 en 200400411/2.

Datum uitspraak: 19 februari 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn,

appellant,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zutphen van 3 december 2003 in het geding tussen:

[verzoeker], zonder vaste woon- of verblijfplaats

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 juli 2003 heeft appellant het verzoek van [verzoeker] om toekenning van de indicatie “absolute urgentie” als woningzoekende afgewezen.

Bij besluit van 5 november 2003 heeft appellant het daartegen door [verzoeker] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 december 2003, verzonden op 4 december 2003, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Zutphen (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen door [verzoeker] ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en appellant opgedragen een nieuwe beslissing op het bezwaarschrift van [verzoeker] te nemen. Tevens is een voorlopige voorziening getroffen, inhoudende dat [verzoeker] moet worden behandeld als ware aan haar de indicatie “absolute urgentie” toegekend. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 januari 2004, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 22 januari 2004, bij de Raad van State ingekomen op 23 januari 2004. Bij deze brief heeft appellant tevens de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij besluit van 17 december 2003 heeft appellant het besluit van 23 juli 2003 in die zin gewijzigd dat aan [verzoeker] de indicatie “absolute urgentie” voor uitsluitend de wijk Zevenhuizen is toegekend.

Bij uitspraak van 14 januari 2004 heeft de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening van 3 december 2003 in die zin gewijzigd dat aanvullend wordt bepaald dat de gemeente Apeldoorn aan [verzoeker] een dwangsom van € 250,- verbeurt voor elke keer dat zij niet wordt behandeld als ware aan haar de indicatie “absolute urgentie” (ook anders dan voor de wijk Zevenhuizen) toegekend.

Bij brief van 21 januari 2004 heeft [verzoeker] van antwoord gediend.

De Voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 februari 2004, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. B.L. Bos en G.L. ter Brugge, beiden werkzaam bij de gemeente, en [verzoeker] in persoon, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 2.6.5, vierde lid van de Huisvestingsverordening 1994 van de gemeente Apeldoorn (hierna: de verordening) geschiedt het vaststellen van een indicatie en de mate van urgentie aan de hand van een advies van de in artikel 2.6.7 genoemde Medisch Sociale Indicatie Commissie.

Ingevolge artikel 2.6.6, eerste lid, van de verordening wordt een indicatie die absolute voorrang geeft slechts verleend indien er sprake is van zwaarwichtige redenen, waarbij andere woonruimte een onontkoombare voorwaarde is voor het maatschappelijk en/of medisch verantwoord kunnen functioneren.

2.2. De voorzieningenrechter heeft met juistheid overwogen dat uit de beslissing op bezwaar op geen enkele wijze blijkt waarom de situatie waarin [verzoeker] als gevolg van haar echtscheiding is komen te verkeren geen zwaarwichtige redenen oplevert, waarbij andere woonruimte een onontkoombare voorwaarde is voor het maatschappelijk en/of medisch verantwoord kunnen functioneren, als bedoeld in artikel 2.6.6, eerste lid, van de verordening. Gelet op het vorenstaande heeft de voorzieningenrechter terecht en op goede gronden geoordeeld dat de beslissing op bezwaar wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) dient te worden vernietigd.

2.3. De Voorzitter is van oordeel dat in dit geval nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak en dat ook overigens geen beletsel bestaat om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. De Voorzitter ziet evenwel aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening, nu naar het oordeel van de Voorzitter appellant met het besluit van 17 december 2003, waarbij het besluit van 23 juli 2003 is gewijzigd, zodanig aan de belangen van [verzoeker] is tegemoet gekomen, dat voor de voorlopige voorziening die door de voorzieningenrechter bij de aangevallen uitspraak is getroffen, zoals aangevuld bij uitspraak van 14 januari 2004, geen plaats meer is.

2.6. Appellant dient op na te melden wijze te worden veroordeeld in de proceskosten van [verzoeker].

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. treft de voorlopige voorziening dat de voorlopige voorziening van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zutphen, inhoudende dat [verzoeker] moet worden behandeld als ware aan haar de indicatie absolute urgentie (ook anders dan voor de wijk Zevenhuizen) toegekend, bij gebreke waarvan een dwangsom wordt verbeurd, wordt opgeheven;

III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn in de door [verzoeker] in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 31,71; het totale bedrag dient door de gemeente Apeldoorn te worden betaald aan [verzoeker].

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Zwemstra

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2004

91-421.