Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO4609

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-02-2004
Datum publicatie
01-03-2004
Zaaknummer
200308779/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 november 2003, kenmerk 3/8181/jsc/rvl, verzonden 7 november 2003, heeft verweerder aan verzoekster met toepassing van artikel 5 en voorschrift 4.1.1 van de bijlage van het Besluit woon- en verblijfsgebouwen milieubeheer (hierna: het Besluit) nadere eisen gesteld met betrekking tot de inrichting op het perceel Burgemeester Stulemeijerlaan 24 te Bergen op Zoom.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200308779/1.

Datum uitspraak: 20 februari 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

de Regionale Scholengemeenschap "'t Rijks", gevestigd te Bergen op Zoom, verzoekster,

en

het college van burgemeester en wethouders van Bergen op Zoom, verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 november 2003, kenmerk 3/8181/jsc/rvl, verzonden 7 november 2003, heeft verweerder aan verzoekster met toepassing van artikel 5 en voorschrift 4.1.1 van de bijlage van het Besluit woon- en verblijfsgebouwen milieubeheer (hierna: het Besluit) nadere eisen gesteld met betrekking tot de inrichting op het perceel Burgemeester Stulemeijerlaan 24 te Bergen op Zoom.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt.

Bij brief van 18 december 2003, bij de Raad van State ingekomen op 23 december 2003, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 5 februari 2004, waar verzoekster, vertegenwoordigd door drs. L.C.M. de Rond, ir. M. Franken en mr. M.J. Smaling, gemachtigden, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. D.M.A.A. Oostvogels en ing. R.E.S.S. Vliex, medewerkers van de Regionale Milieudienst West-Brabant, zijn verschenen.

Buiten bezwaren van partijen zijn nadere stukken in het geding gebracht.

2. Overwegingen

2.1. De bij het bestreden besluit opgelegde nadere eisen hebben betrekking op de door de onderhavige inrichting, een scholengemeenschap, te veroorzaken geluidbelasting. Als gevolg van het opleggen van de nadere eisen gelden ter plaatse van de gevels van de woningen aan de achterzijde van de inrichting geluidgrenswaarden voor het equivalente geluidniveau van 45, 40 en 35 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode met uitzondering van het stemgeluid afkomstig van het schoolterrein. Op momenten dat het stemgeluid op het schoolterrein relevant is voor het geluidniveau veroorzaakt door de inrichting, mag het equivalente geluidniveau ter plaatse van bedoelde woningen in de dagperiode 55 dB(A) bedragen.

Verweerder heeft aan het bestreden besluit de overweging ten grondslag gelegd dat, gelet op het ter plaatse van bedoelde woningen heersende referentieniveau van het omgevingsgeluid en de kwalificatie van de omgeving aan de achterzijde van de inrichting als een rustige woonwijk met weinig verkeer, ter voorkoming van onaanvaardbare geluidhinder lagere geluidgrenswaarden noodzakelijk zijn. Daarnaast zijn door de Regionale Milieudienst West-Brabant geluidmetingen uitgevoerd, waarbij overschrijding van de geluidgrenswaarden uit het Besluit is vastgesteld als gevolg van de muzieklessen die binnen de inrichting worden gegeven.

2.2. Verzoekster kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en voert daartoe in haar verzoekschrift aan dat zij door de opgelegde nadere eisen in de uitvoering van haar onderwijsactiviteiten wordt belemmerd. Voorts betoogt verzoekster dat de opgelegde nadere eisen niet stroken met eerder door verweerder afgegeven vergunningen voor leerlingenavonden. Volgens verzoekster is de kwalificatie van de omgeving van de inrichting onjuist en is het bestreden besluit ook overigens onzorgvuldig genomen.

2.2.1. Niet in geschil is dat de onderhavige inrichting onder de werkingssfeer van het Besluit valt.

Wat betreft de kwalificatie van de omgeving van de inrichting valt uit de stukken af te leiden dat de onderhavige inrichting weliswaar wordt omsloten door drie verkeerswegen, doch dat de achtergevels van de woningen aan de achterzijde van de inrichting voor het verkeersgeluid worden afgeschermd door aangrenzende woningen en de onderhavige inrichting. Uit ter zitting overgelegde stukken is nog gebleken dat het referentieniveau van het omgevingsgeluid ter plaatse van de woningen gelegen aan de achterzijde van de inrichting in de dagperiode circa 30 dB(A) en in de avond- en nachtperiode circa 40 dB(A) bedraagt. Gelet hierop is de Voorzitter van oordeel dat het ervoor moet worden gehouden dat de door verweerder gegeven kwalificatie rustige woonwijk met weinig verkeer - waarbij wordt uitgegaan van een heersend achtergrondgeluidniveau van 45, 40 en 35 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode - ter plaatse van de achtergevels van de woningen aan de achterzijde van de inrichting niet onjuist kan worden geacht. Wat betreft de vergunningen voor leerlingenavonden waarbij hogere geluidgrenswaarden voor het equivalente geluidniveau zijn toegestaan dan de bij het bestreden besluit opgelegde geluidgrenswaarden, overweegt de Voorzitter dat het daarbij gaat om een eenmalige ontheffing op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening van Bergen op Zoom.

Gelet op het vorenstaande heeft verzoekster naar het oordeel van de Voorzitter niet aannemelijk gemaakt dat de bestreden nadere eisen niet hadden mogen worden gesteld.

2.2.2. Wat betreft de haalbaarheid van de opgelegde nadere eisen is door verweerder ter zitting gesteld dat verzoekster aan de opgelegde geluidgrenswaarden kan voldoen door het gesloten houden van de ramen van de muzieklokalen. Verzoekster heeft dit op zichzelf niet bestreden, maar heeft ter zitting wel gesteld dat het hierbij slechts zou kunnen gaan om een tijdelijke maatregel die, met het oog op noodzakelijke ventilatie van de lokalen, niet kan worden toegepast bij warmer weer. Desgevraagd heeft verzoekster ter zitting verklaard dat zij door het treffen van andere voorzieningen binnen de inrichting na de meivakantie van dit jaar in elk geval aan de nadere eisen kan voldoen.

Gelet hierop ziet de Voorzitter aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen in die zin dat het bestreden besluit wordt geschorst tot 10 mei 2004. De Voorzitter neemt hierbij in aanmerking dat voorafgaand aan het opleggen van de nadere eisen, hoewel daar van de zijde van verzoekster meermalen om is verzocht, op geen enkele wijze overleg heeft plaatsgevonden tussen verweerder en verzoekster, de gestelde nadere eisen een ingrijpende verlaging van de eerder toegestane geluidgrenswaarden inhouden en met het oog hierop in het bestreden besluit geen termijn is opgenomen waarbinnen verzoekster aan deze nadere eisen moet voldoen.

2.3. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Bergen op Zoom van 6 november 2003, kenmerk 3/8181/jsc/rvl, tot 10 mei 2004;

II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Bergen op Zoom in de door verzoekster in verband met de behandeling van het verzoek gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 363,38, waarvan een gedeelte groot € 322,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het totale bedrag dient door de gemeente Bergen op Zoom te worden betaald aan verzoekster;

III. gelast dat de gemeente Bergen op Zoom aan verzoekster het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht (€ 232,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. E.M.H. Hirsch Ballin, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, ambtenaar van Staat.

w.g. Hirsch Ballin w.g. Plambeck

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2004

159-443.