Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO4398

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-02-2004
Datum publicatie
26-02-2004
Zaaknummer
200305941/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 oktober 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen (hierna: het college) geweigerd aan appellant, directeur van [vergunninghouder], vrijstelling te verlenen met toepassing van artikel 4, vijfde lid, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan “Handelsterreinen Bergerweg” ten behoeve van de vestiging van Maxis Keukens, een groothandel/detailhandel voor keukens en aanverwante artikelen, op het perceel Industriestraat 6 te Sittard (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200305941/1.

Datum uitspraak: 25 februari 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 28 juli 2003 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 4 oktober 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen (hierna: het college) geweigerd aan appellant, directeur van [vergunninghouder], vrijstelling te verlenen met toepassing van artikel 4, vijfde lid, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan “Handelsterreinen Bergerweg” ten behoeve van de vestiging van Maxis Keukens, een groothandel/detailhandel voor keukens en aanverwante artikelen, op het perceel Industriestraat 6 te Sittard (hierna: het perceel).

Bij besluit van 7 mei 2002 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en het besluit van 4 oktober 2001 voorzien van een nadere motivering.

Bij uitspraak van 28 juli 2003, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Maastricht (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 5 september 2003, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 26 september 2003. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 17 oktober 2003 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 februari 2004, waar appellant, vertegenwoordigd door [directeur] en ing. B. Hackert, gemachtigde, en het college, vertegenwoordigd door J.F.M. Giesen, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Handelsterreinen Bergerweg” heeft het perceel de bestemming “Bebouwingsklasse BC”.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de op de bestemmingskaart als zodanig aangegeven gronden uitsluitend bestemd voor de uitoefening van bedrijven, welke in de tot deze voorschriften behorende staat van inrichtingen voorkomen in de milieucategorieën 1, 2 en 3, milieucategorie 4, voorzover behorende tot de S.B.I.-codes 25.71 en 61.51, een en ander met uitzondering van detailhandel en categorie A-inrichtingen.

Ingevolge het vijfde lid, aanhef en onder c, van artikel 4 kunnen burgemeester en wethouders, gehoord de Rijksconsulent van Handel, Ambacht en Diensten in deze provincie vrijstelling verlenen van het bepaalde in lid 1 voor de uitoefening van detailhandel, voorzover het betreft keuken-, sanitair-, tegelbedrijven en tuincentra, niet gecombineerd met een teeltbedrijf, voorzover deze ruimtelijk niet in of aansluitend aan bestaande winkelgebieden ingepast kunnen worden en daardoor geen onevenredige aantasting van de distributieve voorzieningen in bestaande winkelgebieden veroorzaakt wordt of kan worden veroorzaakt.

2.2. Het college heeft aan de in zijn beslissing op bezwaar gehandhaafde weigering toepassing te geven aan de in artikel 4, vijfde lid, van de planvoorschriften opgenomen vrijstellingsbevoegdheid ten grondslag gelegd dat het verzoek niet in overeenstemming is met het beleid dat, naar aanleiding van overleg in 1999 met gemeenten in de regio, het ministerie van Economische Zaken en de provincie Limburg, in de regio wordt voorgestaan ten aanzien van de vestiging van perifere en grootschalige detailhandel. Het college heeft in dat verband gewezen op het ten tijde van de aanvraag van kracht zijnde voorbereidingsbesluit van 15 februari 2001 en het voorbereidingsbesluit van 9 december 1999. Daarin is aangegeven dat gestreefd wordt naar een afbouw van (gedeconcentreerde) perifere detailhandel op bedrijventerreinen en naast de aanwijzing van een locatie voor bouwmarkten en tuinbenodigdheden langs de Urmonderbaan in Geleen gezocht wordt naar mogelijkheden om een concentratielocatie aan te wijzen voor detailhandel in de sfeer van woninginrichting, keukens, badkamers, sanitair e.d. binnen de regio. De vestiging op bedrijventerreinen van onder meer keukenbedrijven wordt als ongewenst beschouwd. Anders dan appellant ter zitting heeft betoogd, is het beleid derhalve niet uitsluitend gericht op het verkrijgen van een zogenoemde tuinboulevard langs de Urmonderbaan. Ter voorkoming van ongewenste ontwikkelingen is besloten om, in afwachting van bestemmingsplanherzieningen, geen medewerking te verlenen aan verzoeken gericht op de vestiging van perifere detailhandel op bedrijventerreinen, waarvan door de raad kennis is gegeven in de genoemde voorbereidingsbesluiten.

Gelet op het voorgaande kan niet staande worden gehouden dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren toepassing te geven aan de in artikel 4, vijfde lid, van de planvoorschriften opgenomen vrijstellingsbevoegdheid. De rechtbank is tot hetzelfde oordeel gekomen. Dat een voorbereidingsbesluit geen aanhoudingsplicht ten aanzien van vrijstellingsverzoeken doet ontstaan, kan daar niet aan afdoen. De omstandigheid dat thans nog geen sprake is van een bestemmingsplanherziening kan evenmin tot een ander oordeel leiden. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat ter zitting aannemelijk is gemaakt dat de oorzaak van de vertraging in de concrete uitwerking van het voorgenomen planologische beleid ten aanzien van het aanwijzen van de concentratielocatie is gelegen in de gemeentelijke herindeling.

2.3. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet kan slagen. Het besluit van 30 juni 1998, waarbij vergunning is verleend voor het renoveren van de voorgevel van het gebouw op het perceel, ziet niet op de vestiging van een keukenbedrijf als thans door appellant aangevraagd. Dat op de bouwtekening de aanduiding “entree keukenhandel” staat aangegeven is daarvoor niet voldoende. Bovendien valt uit deze aanduiding niet af te leiden of het de uitoefening van detailhandel, als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, van de planvoorschriften, betreft.

2.4. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt ook. De rechtbank is terecht tot het oordeel gekomen dat de door appellant genoemde gevallen niet op één lijn zijn te stellen met zijn situatie.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Roelfsema, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Roelfsema

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2004

378.