Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO4396

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-02-2004
Datum publicatie
26-02-2004
Zaaknummer
200305847/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 december 2002 heeft de gemeenteraad van Noordenveld, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 12 november 2002, het bestemmingsplan "Herziening ex artikel 30 WRO Parkwijk Achter ‘t Hout" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200305847/1.

Datum uitspraak: 25 februari 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de besloten vennootschap "Grondbank Nederland B.V.", gevestigd te Zuidhorn,

appellante,

en

het college van gedeputeerde staten van Drenthe,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 december 2002 heeft de gemeenteraad van Noordenveld, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 12 november 2002, het bestemmingsplan "Herziening ex artikel 30 WRO Parkwijk Achter ‘t Hout" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 1 juli 2003, kenmerk 6.1/2003000509, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 2 september 2003, bij de Raad van State ingekomen op 3 september 2003, beroep ingesteld.

Verweerder heeft bij brief van 24 oktober 2003 een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 januari 2004, waar appellante, vertegenwoordigd door D. Cruiming, en verweerder, vertegenwoordigd door P.K. Munnik, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord de gemeenteraad, vertegenwoordigd door mr. G.W. Kuiper, ambtenaar van de gemeente.

2. Overwegingen

2.1. De beroepsgrond, gericht tegen het ontbreken van inspraakmogelijkheden over het ontwerp-plan steunt niet op een bij de gemeenteraad ingebrachte zienswijze.

Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, onder d, en 56, tweede lid, gelezen in samenhang met de artikelen 23, eerste lid, en 27, eerste en tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), kan beroep slechts worden ingesteld tegen het goedkeuringsbesluit van het college van gedeputeerde staten, voorzover dit beroep een grondslag heeft in een tegen het ontwerp-plan bij de gemeenteraad ingebrachte zienswijze. Dit is slechts anders voorzover de gemeenteraad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp, voorzover het besluit van het college van gedeputeerde staten strekt tot onthouding van goedkeuring, dan wel indien een belanghebbende aantoont dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest terzake een zienswijze in te brengen. Geen van deze omstandigheden doet zich voor. Het beroep is in zoverre dan ook niet-ontvankelijk.

2.2. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan dat is vastgesteld om te voldoen aan de in artikel 30 van de WRO neergelegde verplichting een nieuw plan vast te stellen, nadat eerder bij besluit van 10 juli 2001, kenmerk 6.3/2001006204, aan het vastgestelde bestemmingsplan “Parkwijk Achter ’t Hout” goedkeuring is onthouden. Bij haar uitspraak van 3 april 2002

(no. 200104170/1, zie www.raadvanstate.nl), heeft de Afdeling het goedkeuringsbesluit van verweerder, strekkende tot onthouding van goedkeuring voorzover het betreft de bestemming “Uit te werken woongebied”, in stand gelaten.

Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan in overeenstemming zijn met de beslissing waarbij goedkeuring aan het eerder vastgestelde plan is onthouden en niet anderszins in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.3. Het plangebied ligt ten oosten van de kern Roden. De gronden aansluitend aan het woongebied van Roden hebben de bestemming “Agrarisch gebied met landschappelijke waarde” gekregen.

2.4. Appellante stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de plandelen met de bestemming “Agrarisch gebied met landschappelijke waarde”. Zij is van mening dat ten onrechte zonder meer is gekozen voor een bestemming overeenkomstig het bestaande gebruik van de gronden. In dit verband voert zij aan dat het plan niet vastgesteld had mogen worden zonder dat er onderzoek naar de ecologische waarden van het gebied en de noodzaak voor woningbouw ter plaatse was verricht.

2.5. Verweerder heeft geen reden gezien de bestreden plandelen in strijd te achten met een goede ruimtelijke ordening of het recht en heeft deze plandelen goedgekeurd. Hij is van mening dat een bestemming overeenkomstig het bestaande gebruik van de gronden redelijk is.

2.6. In haar uitspraak van 3 april 2002 heeft de Afdeling geoordeeld dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, dat ten aanzien van de bestreden plandelen voorzag in de bestemming “Uit te werken woongebied”, in strijd was met een goede ruimtelijke ordening. Zij heeft daartoe het volgende overwogen:

“Verweerders hebben zich in hun besluit van 5 oktober 1993 op het standpunt gesteld dat woningbouw in het gebied slechts aanvaardbaar is indien een dringende noodzaak bestaat en na afweging ten opzichte van andere locaties. Verder hebben verweerders in hun besluit van 10 juli 2001 geconstateerd dat door middel van een ecologisch onderzoek moet worden aangetoond dat de in het gebied voorkomende waarden een beperkt aantal woningen zou kunnen verdragen. Verder hebben verweerders gesteld dat de uitkomsten van een gemeentelijk ecologisch onderzoek te beperkt zijn geweest zodat niet alle waarden zijn onderzocht. Mitsdien verlangen verweerders dat ter aanvulling van een in 1997 gehouden onvolledig ecologisch onderzoek een nieuw ecologisch onderzoek moet worden gehouden. Uit de stukken blijkt dat de gemeente een dergelijk onderzoek niet heeft laten verrichten.”

2.7. De Afdeling stelt vast dat er geen nader onderzoek naar de ecologische waarden van het gebied en de noodzaak voor woningbouw ter plaatse is verricht. Indien met betrekking tot de bestreden plandelen zou zijn gekozen voor de door appellante gewenste woonbestemming zou het ontbreken van deze onderzoeken tot gevolg gehad hebben dat de uitspraak van de Afdeling van 3 april 2002 niet in acht zou zijn genomen. Deze uitspraak verplicht evenwel niet tot een woonbestemming en sluit de thans gekozen agrarische bestemming niet uit.

2.8. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de bestreden plandelen met de bestemming “Agrarisch gebied met landschappelijke waarde” reeds vele jaren als zodanig in gebruik zijn en dat het niet aannemelijk is dat het bestaande agrarische gebruik binnenkort zal worden beëindigd. Het toekennen van de bestemming “Agrarisch gebied met landschappelijke waarde” op de gronden past binnen het uitgangspunt dat bestaand gebruik waarvan niet aannemelijk is dat dit binnen de planperiode zal worden beëindigd, in beginsel als zodanig wordt bestemd.

Gebleken is dat is aangesloten bij de planologische regeling van de aangrenzende gronden. Het standpunt dat de onderhavige gronden en de daaraan grenzende gronden als ruimtelijke eenheid kunnen worden aangemerkt, is niet onredelijk.

Voorts is gebleken dat de gronden deel uitmaken van een groter gebied dat blijkens de functiekaart van het Provinciaal Omgevingsplan Drenthe (hierna: POP) is aangeduid als zone III-gebied. In deze gebieden zijn landbouw, recreatief medegebruik en de waarden van natuur, landschap en cultuurhistorie gelijkwaardig en staat de samenhang tussen landbouwkundige, abiotische, cultuurhistorische, landschappelijke en archeologische waarden voorop. Dit beleid is niet onredelijk.

Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat aan de onderhavige gronden een bestemming overeenkomstig het bestaande gebruik kon worden toegekend. Hieraan doet niet af dat ter plaatse reeds zeer vele jaren een woonbestemming gold. Evenmin doet hieraan af dat de gronden zijn gelegen binnen de in het POP aangegeven contourlijn bij de kern Roden. De betekenis van de contourlijn is er in gelegen dat buiten deze lijn uitbreiding van de kernbebouwing niet wordt toegestaan, hetgeen echter niet inhoudt dat binnen de contourlijn uitsluitend woningbouw aangewezen is.

Overigens wijst de Afdeling erop dat door de gemeenteraad ter zitting is gesteld dat het gemeentelijke beleid erop is gericht toekomstige woningbouw met name aan de westzijde van de kern Roden te verwezenlijken en niet aan de oostzijde van deze kern. Daarmee samenhangend is door verweerder ter zitting gesteld dat het toekomstige provinciale beleid zich zal verzetten tegen woningbouw ter plaatse.

2.9. Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de bestreden plandelen niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan deze plandelen. Het beroep, voorzover ontvankelijk, is ongegrond.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk voorzover het betreft de beroepsgrond gericht tegen het ontbreken van inspraakmogelijkheden over het ontwerp-plan;

II. verklaart het beroep, voorzover ontvankelijk, ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M.E.A. Neuwahl, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren w.g. Neuwahl

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2004

280-459.