Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO4389

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-02-2004
Datum publicatie
26-02-2004
Zaaknummer
200305304/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 juni 2003 heeft verweerder geweigerd krachtens de Wet milieubeheer vergunning te verlenen aan [appellant] voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor het fokken en houden van paarden en rundvee en voor het verstrekken van pension aan paarden op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Bergen, sectie […], nummers […], […], […]. Dit besluit is op 3 juli 2003 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2004, 57K
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200305304/1.

Datum uitspraak: 25 februari 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Bergen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 10 juni 2003 heeft verweerder geweigerd krachtens de Wet milieubeheer vergunning te verlenen aan [appellant] voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor het fokken en houden van paarden en rundvee en voor het verstrekken van pension aan paarden op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Bergen, sectie […], nummers […], […], […]. Dit besluit is op 3 juli 2003 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 11 augustus 2003, bij de Raad van State per telefaxbericht ingekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 januari 2004, waar appellant, bijgestaan door mr. C.H. Blanksma, advocaat te Amsterdam, en verweerder, vertegenwoordigd door ing. E.J.P.R. Kraakman, gemachtigde, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Appellant voert aan dat het besluit niet binnen de daartoe gestelde termijn is genomen.

Een overschrijding van de wettelijke beslistermijn tast de rechtmatigheid van het besluit niet aan. Deze beroepsgrond kan derhalve niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.

2.2. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.3. Appellant voert aan dat de vergunning ten onrechte vanwege onaanvaardbare stankhinder is geweigerd. Hij stelt onder meer dat verweerder er ten onrechte aan voorbij is gegaan dat sprake is van een reeds sinds lange tijd bestaande situatie en dat verweerder daarom ten onrechte geen gebruik heeft gemaakt van de inherente afwijkingsbevoegdheid. Verder stelt appellant dat de afstand tussen het dichtstbijzijnde emissiepunt van de paardenboxen en het dichtstbijgelegen stankgevoelige object, een agrarische bedrijfswoning, groter is dan de door verweerder gestelde 26 meter.

2.3.1. Verweerder heeft bij de beoordeling van de stankhinder de Richtlijn veehouderij en stankhinder 1996 (hierna: de Richtlijn) gehanteerd. Bij de bepaling van de omgevingscategorieën heeft hij de brochure Veehouderij en Hinderwet (hierna: de brochure) gehanteerd.

Bijlage 1 van de Richtlijn bevat geen omrekeningsfactoren naar mestvarkeneenheden voor paarden. Ook zijn in de Richtlijn geen vaste afstanden in meters voor paarden opgenomen. Derhalve moet worden aangesloten bij de minimumafstand uit de afstandsgrafiek uit de Richtlijn en moet voor het houden van paarden minimaal een afstand van 50 meter tot stankgevoelige objecten worden aangehouden, aldus verweerder. Vaststaat volgens verweerder dat, nu de afstand tot de dichtstbijgelegen woning circa 26 meter bedraagt, aan de door verweerder gehanteerde afstandsnorm niet wordt voldaan.

Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat de inrichting waarvoor vergunning is aangevraagd niet kan worden aangemerkt als een bestaande situatie in de zin van de Richtlijn omdat voor deze inrichting nooit een oprichtingsvergunning is verleend. Om deze reden is paragraaf 5 van de Richtlijn niet van toepassing, aldus verweerder.

2.3.2. Paragraaf 5 van de Richtlijn heeft betrekking op de beoordeling van stankhinder veroorzaakt door bestaande bedrijven. Volgens deze paragraaf zijn voor bestaande bedrijven die nog geen dekkende milieuvergunning hebben en die bij toepassing van de Richtlijn niet rechtstreeks voor vergunningverlening in aanmerking komen, geen standaardoplossingen te geven, maar moet "maatwerk" uitkomst bieden. Het gaat hierbij blijkens de Richtlijn vaak om bedrijven die al twintig jaar of meer worden gedoogd. Per individuele aanvraag moet worden afgewogen of en zo ja in hoeverre van de normen van de afstandsgrafiek kan worden afgeweken. Bij toepassing van de maatwerkbenadering moet worden meegewogen hoe en wanneer de illegale situatie is ontstaan. Wanneer er sprake is van een recente illegale uitbreiding van het aantal dierplaatsen moet onverkort aan de normen van de afstandsgrafiek worden voldaan, aldus de Richtlijn.

Niet in geschil is dat de inrichting waarvoor vergunning is aangevraagd feitelijk bestaat sinds 1982 en dat voor deze inrichting in het verleden geen oprichtingsvergunning is verleend krachtens de Hinderwet of de Wet milieubeheer. Ter zitting is gebleken dat verweerder eerst door een milieu-inspectie in 2001 is gebleken dat de inrichting vergunningplichtig is. Verder heeft verweerder ter zitting onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de afstand van het emissiepunt van de paardenboxen tot het dichtstbijgelegen voor stank gevoelige object slechts 26 meter bedraagt.

De Afdeling stelt vast dat verweerder onvoldoende heeft onderzocht wat ten opzichte van de dichtstbijgelegen woning van derden als dichtstbijzijnde emissiepunt van de paardenboxen moet worden aangemerkt. Verder overweegt de Afdeling dat het enkele feit dat voor deze inrichting nog nooit een vergunning is verleend niet betekent dat geen sprake kan zijn van een bestaande situatie als bedoeld in paragraaf 5 van de Richtlijn, nu deze paragraaf juist is bedoeld voor inrichtingen die in werking zijn zonder dekkende milieuvergunning. Het bestreden besluit is derhalve in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht niet zorgvuldig voorbereid en berust in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht niet op een deugdelijke motivering.

2.4. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

2.5. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Bergen van 10 juni 2003;

III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Bergen in de door appellant in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het totale bedrag dient door de gemeente Bergen te worden betaald aan appellant;

IV. gelast dat de gemeente Bergen aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 116,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, Voorzitter, en mr. M. Oosting en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt w.g. Van Hardeveld

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2004

312-396.