Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO4376

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-02-2004
Datum publicatie
26-02-2004
Zaaknummer
200304645/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij afzonderlijke besluiten van 26 maart 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bergen op Zoom (hierna: het college) aan de gemeente Bergen op Zoom (hierna: vergunninghoudster) een monumentenvergunning, een sloopvergunning Beschermd Stadsgezicht en een sloopvergunning Leefmilieuverordening verleend voor het tijdelijk verwijderen, ten behoeve van restauratie, van een muziekkiosk op het perceel kadastraal bekend gemeente Bergen op Zoom, sectie G, nummer 7261, plaatselijk bekend Thaliaplein (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200304645/1.

Datum uitspraak: 25 februari 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te Breda van 5 juni 2003 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Bergen op Zoom.

1. Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 26 maart 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bergen op Zoom (hierna: het college) aan de gemeente Bergen op Zoom (hierna: vergunninghoudster) een monumentenvergunning, een sloopvergunning Beschermd Stadsgezicht en een sloopvergunning Leefmilieuverordening verleend voor het tijdelijk verwijderen, ten behoeve van restauratie, van een muziekkiosk op het perceel kadastraal bekend gemeente Bergen op Zoom, sectie G, nummer 7261, plaatselijk bekend Thaliaplein (hierna: het perceel).

Bij besluit van 2 oktober 2002 heeft het college het tegen deze besluiten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 5 juni 2003, verzonden op 6 juni 2003, heeft de rechtbank te Breda (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 14 juli 2003, bij de Raad van State ingekomen op 15 juli 2003, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 13 augustus 2003. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 26 september 2002 (bedoeld zal zijn: 2003) heeft het college van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 januari 2004, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. R.A.C.M. van Dijk, advocaat te Bergen op Zoom, en het college, vertegenwoordigd door mr. P.J.A. Engelvaart, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De verleende vergunningen strekken ertoe de monumentale muziekkiosk te ontmantelen en de constructie van de kiosk in gedeelten te laten restaureren in een restauratie-atelier. Vergunninghoudster heeft aangegeven dat het bouwwerk na de restauratie enige meters van de huidige locatie zal worden teruggeplaatst.

2.2. Ingevolge artikel 5, tweede lid, van de Monumentenverordening is het verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders een beschermd gemeentelijk monument af te breken, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen.

Ingevolge artikel 37, eerste lid, van de Monumentenwet is het in stads- en dorpsgezichten verboden een bouwwerk geheel of gedeeltelijk af te breken zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (sloopvergunning).

Ingevolge artikel 20, eerste lid, van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing (hierna: WSDV) is het verboden, in gebieden waarvoor een leefmilieuverordening geldt te slopen zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (sloopvergunning).

Ingevolge artikel 37, derde lid, van de Monumentenwet zijn de artikelen 21 tot en met 23 van de WSDV van toepassing.

Ingevolge artikel 21, eerste lid, van de WSDV mag de sloopvergunning worden geweigerd, indien bouwvergunning kan worden verleend voor een in plaats van het te slopen bouwwerk op te richten bouwwerk, doch deze vergunning nog niet is aangevraagd.

2.3. Appellanten betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet in redelijkheid de onderhavige vergunningen heeft kunnen verlenen omdat de herbouw van de muziekkiosk onvoldoende is gewaarborgd. In dat kader hebben appellanten aangevoerd dat de kiosk na restauratie niet teruggeplaatst kan worden op de door vergunninghoudster beoogde locatie en dat het college niet heeft aangetoond dat voldoende financiële middelen beschikbaar zijn voor de tijdelijke verwijdering en herplaatsing van het bouwwerk. Dat betoog faalt.

De rechtbank heeft met juistheid vastgesteld dat de huidige locatie van de kiosk afwijkt van de locatie zoals aangegeven op de kaart van het bestemmingsplan “De Parade” (hierna: het bestemmingsplan). Mitsdien kan niet worden staande gehouden dat de omstandigheid dat de vergunninghoudster niet voornemens is de kiosk na restauratie op de huidige locatie te plaatsen, leidt tot strijd met het bestemmingsplan. Overigens is de vraag of de plaats van herbouw van de kiosk in overeenstemming is met het bestemmingsplan in het kader van de beoordeling van de sloopvergunningen niet relevant, doch kan pas aan de orde komen bij de beoordeling van de daarop betrekking hebbende aanvraag van de bouwvergunning.

Voorts heeft de rechtbank terecht voldoende aannemelijk geacht dat de kiosk zal worden teruggeplaatst, nu de gemeenteraad op 29 november 2001 de exploitatiebegroting van het bestemmingsplan heeft vastgesteld, waarin uitdrukkelijk een bedrag is opgenomen voor de verplaatsing van de kiosk, kennelijk naar de locatie die op de plankaart is aangegeven.

2.4. Het betoog van appellanten dat pas een sloopvergunning kan worden verleend nadat een bouwvergunning is verleend voor de heropriching van de muziekkiosk, ontbeert een wettelijke basis. Anders dan appellanten kennelijk menen, staat artikel 21, eerste lid, van de WSDV er niet aan in de weg dat een sloopvergunning wordt verleend, alvorens een bouwvergunning is aangevraagd dan wel verleend voor de heroprichting van het te slopen bouwwerk. Appellanten hebben in dit verband geen feiten of omstandigheden aangevoerd die de conclusie rechtvaardigen dat het college niet in redelijkheid geen gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid als bedoeld in dit artikellid.

2.5. Nu appellanten niet hebben aangegeven waarom het positieve advies van de Welstandmonumentencommissie niet deugdelijk is, heeft het college - anders dan appellanten kennelijk menen - dit positieve advies aan haar besluiten ten grondslag kunnen leggen. De rechtbank is hier terecht van uitgegaan.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Voorzitter, en mr. C. de Gooijer en mr. M.G.J. Parkins-de Vin, Leden, in tegenwoordigheid van mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Wilbers-Taselaar

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2004

71-455.