Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO4370

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-02-2004
Datum publicatie
26-02-2004
Zaaknummer
200304161/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 mei 1999 heeft appellant sub 2 (hierna: de Staatssecretaris) appellant sub 1 een tegemoetkoming op grond van de Regeling tegemoetkoming schade bij rampen en zware ongevallen (hierna: de WTS1-regeling) toegekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200304161/1.

Datum uitspraak: 25 februari 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

1. [appellant sub 1]], wonend te [woonplaats],

2. de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank te Breda van 9 mei 2003 in het geding tussen:

appellant sub 1

en

appellant sub 2.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 mei 1999 heeft appellant sub 2 (hierna: de Staatssecretaris) appellant sub 1 een tegemoetkoming op grond van de Regeling tegemoetkoming schade bij rampen en zware ongevallen (hierna: de WTS1-regeling) toegekend.

Bij op 1 augustus 2002 verzonden besluit, voorzover van belang, heeft de Staatssecretaris het daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard voorzover bij de vaststelling van de teeltplanschade wachtbedplanten aardbeien ([naam perceel]) een te lage norm is toegepast en wat betreft de rabarberteelt onder voorbehoud alsnog een tegemoetkoming toegekend, zodat in totaal een hogere tegemoetkoming is toegekend.

Bij uitspraak van 9 mei 2003, verzonden op 23 mei 2003, heeft de rechtbank te Breda (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard ten aanzien van de tegemoetkoming van de teeltplanschade wachtbedplanten aardbeien (perceel [naam perceel]), de beslissing op bezwaar in zoverre vernietigd, de Staatssecretaris opgedragen met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen en het beroep voor het overige ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant sub 1] bij brief van 24 juni 2003, bij de Raad van State ingekomen op 2 juli 2003, en de Staatssecretaris bij brief van 26 juni 2003, bij de Raad van State ingekomen op 27 juni 2003, hoger beroep ingesteld. [appellant sub 1] heeft de gronden bij brief van 13 juli 2003 aangevuld en de Staatssecretaris bij brief van 25 juli 2003. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 8 september 2003 heeft [appellant sub 1] en bij brief van 12 augustus 2003 heeft de Staatssecretaris van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van [appellant sub 1]. Afschriften daarvan zijn aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 januari 2003, waar [appellant sub 1] in persoon, en de Staatssecretaris, vertegenwoordigd door drs. J.J.M. Schipper, werkzaam bij het agentschap Laser, zijn verschenen.

Tevens is verschenen J. Neele, werkzaam bij het Bureau coördinatie expertise-organisaties (hierna: BCE).

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Wet tegemoetkoming schade bij rampen en zware ongevallen (hierna: de Wet), voorzover hier van belang, heeft een gedupeerde recht op een tegemoetkoming in onder meer de volgende categorieën van schade, voorzover de schade die hij heeft geleden, het rechtstreeks en onmiddellijk gevolg is van een overstroming van een ramp waarop deze wet van toepassing is verklaard:

d. de schade aan de vaste en de vlottende activa;

e. de teeltplanschade, waaronder wordt verstaan het financieel verlies dat is geleden door een mindere opbrengst dan redelijkerwijs mocht worden verwacht gedurende een bij ministeriële regeling te bepalen schadetermijn als gevolg van verlies of beschadiging van gewassen, waardoor een vermindering in kwantiteit of kwaliteit is ontstaan of als gevolg van het niet tijdig kunnen uitvoeren van de voorgenomen teelt van gewassen.

Ingevolge artikel 4, derde lid, aanhef en sub b, van de Wet heeft een gedupeerde geen recht op een tegemoetkoming in de schade of de kosten voorzover de gedupeerde uit anderen hoofde een tegemoetkoming in de schade of kosten heeft verkregen of kan verkrijgen.

De Wet is van toepassing verklaard op de schade en kosten die zijn ontstaan als gevolg van de extreem zware regenval op 13 en 14 september 1998.

In de Beleidsregels voor de toekenning van teeltplanschade op grond van de Regeling (Stcrt. 1998, nr. 208) heeft de Staatssecretaris bekend gemaakt welke grondslagen worden gehanteerd voor de berekening van de voor vergoeding in aanmerking komende teeltplanschade. In de bijlage bij deze Beleidsregels zijn voor een aantal gewassen normbedragen opgenomen, die worden gebruikt voor de vaststelling van de teeltplanschade.

2.2. Het hoger beroep van [appellant sub 1] betreft uitsluitend de tegemoetkoming in de teeltplanschade aan de rabarberpollen. De tegemoetkoming daarin dient naar de mening van [appellant sub 1] ongeveer vijf keer hoger te worden vastgesteld dan is geschied, omdat ten onrechte geen rekening is gehouden met het feit dat hij uit de zogenoemde moederpol vier tot zes nieuwe pollen kan winnen.

2.2.1. [appellant sub 1] is voor de als gevolg van de regenval op 13 en 14 september 1998 verloren gegane rabarberpollen een tegemoetkoming zowel voor schade in de groenteteelt als voor schade in de pollenteelt toegekend. De Staatssecretaris heeft in het door [appellant sub 1] aangevoerde aanleiding gezien

– aanzienlijk – hogere normbedragen toe te passen dan die van de KWIN (Kwantitatieve informatie voor de land- en tuinbouw) voor de rabarberpollenteelt.

Voor een – nog – verdergaande afwijking van de toegepaste normbedragen dan waartoe de Staatssecretaris op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht is gekomen, heeft de Staatssecretaris, gelet op de expertiserapporten van J.M.M. Roks en van C. Roelands, welke rapporten [appellant sub 1] zelf ter staving van de gestelde teeltplanschade aan de rabarberpollen heeft overgelegd, terecht geen aanleiding gezien. Dat de rabarberpollen – ook los van de pollenteelt – naar [appellant sub 1] stelt, in vier tot zes pollen kunnen worden gesplitst, betekent immers niet dat hij naast de tegemoetkoming in de schade aan de planten ook aanspraak kan maken op een tegemoetkoming in schade aan vlottende activa op grond van artikel 4, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wet, zoals de Staatssecretaris in de beslissing op bezwaar terecht opmerkt. Deze door [appellant sub 1] gestelde schade is een vorm van teeltplanschade als bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet, waarvoor hem op basis van de daarvoor in de Beleidsregels vastgestelde berekeningswijze een tegemoetkoming is toegekend.

2.2.2. Het hoger beroep tegen de overweging van de rechtbank dat de Staatssecretaris in redelijkheid de tegemoetkoming in de teeltplanschade aan de rabarberpollenteelt voorwaardelijk heeft kunnen verlenen, houdt verband met de bij de beslissing op bezwaar aan de toegekende tegemoetkoming verbonden voorwaarde dat [appellant sub 1] de Staatssecretaris onmiddellijk in kennis stelt van de definitieve beslissing op zijn schadeclaim jegens derden aangaande de rabarberteelt.

Deze voorwaarde vloeit rechtstreeks uit artikel 4, derde lid, aanhef en onder b, van de Wet voort en is van toepassing ook zonder dat deze uitdrukkelijk aan de tegemoetkoming is verbonden.

Hetgeen [appellant sub 1] in dit verband heeft aangevoerd, kan dan ook niet slagen.

2.2.3. De conclusie van het vorenstaande is dat het hoger beroep van [appellant sub 1] ongegrond is en dat de aangevallen uitspraak in zoverre moet worden bevestigd.

2.3. Het hoger beroep van de Staatssecretaris betreft de teeltplanschade aan het wachtbed aardbeienplanten op het [naam perceel]. De teeltwijze van [appellant sub 1] houdt in dat hij de aardbeienplanten zelf op een perceel van 0.55 ha opkweekt en op een perceel ter grootte van 1.7 ha uitplant. De planten worden in augustus geplant, in december gerooid en vervolgens tot april in de koeling bewaard. Eind maart/begin april vindt herinplant plaats, waarna in juni/juli de aardbeien van de planten worden geplukt.

[appellant sub 1] stelt ten gevolge van de zware regenval schade te hebben geleden doordat de aardbeienplanten kleiner zijn gebleven, zodat hij daarmee in april 1999 niet de gebruikelijke 1.7 ha maar slechts 1.3 ha heeft kunnen beplanten, en doordat de planten een verminderde knopaanleg hebben ontwikkeld, waardoor de productie van vruchten aanzienlijk is achtergebleven.

De Staatssecretaris heeft in de beslissing op bezwaar de tegemoetkoming berekend op basis van een getroffen oppervlakte van 0.55 ha, een schadepercentage van 40 en een normbedrag van ƒ 102.400,--.

2.3.1. De rechtbank heeft, samengevat weergegeven, overwogen dat de Staatssecretaris aldus ten onrechte aansluiting heeft gezocht bij de jurisprudentie ten aanzien van de productie van witlof, waarbij sprake is van twee afzonderlijke productieprocessen en waarbij de schade aan de zogenaamde witloftrek niet wordt aangemerkt als schade die ingevolge de Wet voor een tegemoetkoming in aanmerking komt als gevolg van het ontbreken van het causaal verband tussen de regenval en de schade. Omdat de aardbeienplanten in de wachtbedden louter voor de eigen vruchtproductie zijn bedoeld, dient de schade van [appellant sub 1] veeleer beoordeeld te worden aan de hand van criteria die de Staatssecretaris heeft geformuleerd voor de tegemoetkoming voor verminderde opbrengst van fruitbomen, aldus de rechtbank.

2.3.2. De aangevallen uitspraak heeft naar de mening van de Staatssecretaris in zoverre tot gevolg dat hij het normbedrag niet slechts op de 0.55 ha waarop [appellant sub 1] wachtbedplanten teelt, dient toe te passen maar op het perceel van 1.3 ha dan wel 1.7 ha waarop [appellant sub 1] de wachtbedplanten herplant voor vruchtproductie. Omdat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, wel degelijk sprake is van twee gescheiden teeltprocessen – enerzijds het opkweken van de wachtbedplanten op een perceel van 0.55 ha, anderzijds de vruchtproductie daarna op 1.3 ha dan wel 1.7 ha – kan de schade aan de vruchtproductie wegens het ontbreken van causaal verband niet als teeltplanschade in de zin van de Wet worden aangemerkt, en dient de tegemoetkoming uitsluitend betrekking te hebben op het perceel met wachtbedplanten, aldus de Staatssecretaris.

2.3.3. De Afdeling stelt vast dat het antwoord op de vraag of in dit geval sprake is van één teeltproces of van twee te onderscheiden teeltprocessen zowel van invloed is op de bij de berekening van de tegemoetkoming in acht te nemen perceelsgrootte als op het te hanteren normbedrag. Het door de Staatssecretaris gehanteerde normbedrag is echter niet in geschil.

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt geoordeeld dat de Staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat bij de teelt van wachtbedplanten en de teelt van vruchtproductie sprake is van twee afzonderlijke teeltprocessen. Dat het gehele teeltplan bedrijfsmatig uitsluitend is gericht op de productie van aardbeien, maakt niet dat het opkweken van de wachtbedplanten niet een afzonderlijke, in teelttechnische zin van de vruchtproductie te onderscheiden, teelt vormt. In haar uitspraak van 1 mei 2002 in zaak no. 200103568/1 (www.raadvanstate.nl) heeft de Afdeling in dit kader niet van belang geacht of de beide groeiprocessen bij dezelfde teler of bij verschillende telers plaatsvinden. Zoals de Afdeling voorts eerder heeft overwogen in de uitspraak van 14 november 2001 in zaak no. 200101453/1 (aangehecht), betekent de vaststelling dat gesproken moet worden van twee afzonderlijke teeltprocessen, dat ten aanzien van de schade aan de vruchtproductie geen causaal verband tussen die schade en de regenval op 13 en 14 september 1998 kan worden aangenomen en daarmee geen teeltplanschade in de zin van artikel 4, eerste lid, aanhef en onder e, van d Wet. Dit betekent dat voor de vaststelling van de tegemoetkoming in de schade moet worden uitgegaan van de grootte van het perceel, waarop de wachtbedplanten ten tijde van de schade veroorzakende regenval stonden.

De rechtbank heeft dit miskend.

Nu de aangevallen uitspraak reeds hierom moet worden vernietigd, wordt aan de overweging daarin betreffende de vruchtbomen niet meer toegekomen.

2.3.4. Het hoger beroep van de Staatssecretaris is gegrond. De aangevallen uitspraak dient in zoverre te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [appellant sub 1] hierna zelf beoordelen.

2.4. [appellant sub 1] heeft in beroep aangevoerd dat hij 60% minder opbrengst aan aardbeien had dan normaal en dat zijn schade 60% bedroeg en niet 40%, zoals de Staatssecretaris heeft gesteld. Naar zijn mening heeft de Staatssecretaris ten onrechte geen hertaxatie uitgevoerd van de eerst in het voorjaar en de zomer van 1999 zichtbare schade.

2.4.1. De Staatssecretaris is bij de vaststelling van het schadepercentage afgegaan op de taxatie van het BCE. De schade, die aanvankelijk was vastgesteld op 30%, is later gesteld op een percentage van 40.

[appellant sub 1] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de Staatssecretaris zich, gezien de wijze van totstandkoming dan wel de inhoud van de taxatierapporten van het BCE, daarop niet heeft mogen baseren. Omdat, zoals onder 2.3.3. is overwogen, uitsluitend de schade aan de wachtbedplanten teeltplanschade in de zin van de Wet vormt, bestond voor de Staatssecretaris geen aanleiding tot hertaxatie in 1999 van de – volgens [appellant sub 1] eerst in het voorjaar 1999 zichtbare – schade aan de in april 1999 uitgezette aardbeienplantjes. Gelet op het vorenstaande heeft de Staatssecretaris de schade terecht op 40% vastgesteld.

2.4.2. Het beroep van [appellant sub 1] is in zoverre ongegrond.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep van de Staatssecretaris gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank te Breda van 9 mei 2003, 02/1720 BESLU, voorzover betrekking hebbend op de schade aan het wachtbed aardbeienplanten op het [naam perceel];

III. verklaart het beroep van [appellant sub 1] in zoverre ongegrond;

IV. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige.

Aldus vastgesteld door mr. F.P. Zwart, Voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. T.M.A. Claessens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.E.E. Wolff, ambtenaar van Staat.

w.g. Zwart w.g. Wolff

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2004

238.