Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO4357

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-02-2004
Datum publicatie
26-02-2004
Zaaknummer
200303455/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluiten van 21 oktober 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Someren (hierna: het college) geweigerd appellant bouwvergunning te verlenen voor een woning ter vervanging van een bestaande woonboerderij, onderscheidenlijk twee bijgebouwen ter vervanging van een aantal nader aangegeven bouwwerken, op het perceel, kadastraal bekend gemeente Someren, sectie […], nr. […](ged.), plaatselijk bekend [locatie], te Someren (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200303455/1.

Datum uitspraak: 25 februari 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Someren,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 22 mei 2003 in de gedingen tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Someren.

1. Procesverloop

Bij besluiten van 21 oktober 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Someren (hierna: het college) geweigerd appellant bouwvergunning te verlenen voor een woning ter vervanging van een bestaande woonboerderij, onderscheidenlijk twee bijgebouwen ter vervanging van een aantal nader aangegeven bouwwerken, op het perceel, kadastraal bekend gemeente Someren, sectie […], nr. […](ged.), plaatselijk bekend [locatie], te Someren (hierna: het perceel).

Bij besluiten van 23 januari 2002 heeft het college de daartegen door appellant gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 mei 2003, verzonden op 23 mei 2003, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) de daartegen door appellant ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 mei 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 18 juli 2003 heeft het college van antwoord gediend.

Bij brief van 11 november 2003 heeft appellant aanvullende stukken ingediend. Deze zijn door de Afdeling aan het college toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 november 2003, waar appellant, vertegenwoordigd door M.J.E. Driessen, gemachtigde, en het college, vertegenwoordigd door H.M.A. van der Linden, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Op het perceel staat een woonboerderij met een inhoud van circa 1.540 m3, een noodwoning [locatie], en verder een hondenren, een schuur en een kas, met oppervlakten van onderscheidenlijk 75 m2, 6 m2, 210 m2 en 755 m2. Op het in 2001 daarvan kadastraal afgesplitste perceel staat nog een noodwoning [locatie] en een bijgebouw van 50 m2. De in het geding zijnde bouwplannen voorzien in de afbraak van de voormelde bouwwerken op het perceel en het nieuw oprichten daarop van een woning met een inhoud van 1.044 m3, en twee bijgebouwen met een gezamenlijke oppervlakte van 117 m2.

2.2. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Buitengebied 1998” rust op het perceel de bestemming “woningen”.

Ingevolge artikel 2.4, lid A, van de planvoorschriften, voorzover thans van belang, zijn de gronden aangewezen voor “woningen” (plankaart 2) bestemd voor woondoeleinden, ter plaatse van de bestaande woning(en) met bijbehorend erf, dat tot maximaal 2.500 m2 en met een breedte langs resp. diepte vanaf de weg van maximaal 50 m, tot het bestemmingsvlak van deze bestemming gerekend wordt.

Ingevolge artikel 2.4, lid B, van de planvoorschriften, voorzover thans van belang, mag de tot “woningen” bestemde grond uitsluitend worden bebouwd ten dienste van de in de doeleindenomschrijving aangegeven bestemming, waarbij de hierna gestelde voorwaarden gelden:

1. ten aanzien van woningen:

a. (..);

b. inhoud:

- niet meer dan 500 m3 of, indien de inhoud van de bestaande woning al meer bedraagt, niet meer dan de inhoud van de bestaande woning plus maximaal 10%;

- indien het een bestaande woonboerderij betreft: niet meer dan de inhoud van het bestaande hoofdgebouw, met dien verstande dat deze inhoud niet vergroot mag worden;

c.-g. (..).

2. ten aanzien van bijgebouwen:

a. gezamenlijke oppervlakte per woning: niet meer dan 75 m2;

b.-f. (…).

Ingevolge artikel 0.3 van de planvoorschriften wordt onder bestaande bebouwing verstaan: bebouwing, zoals die aanwezig is op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerpplan, of de bebouwing die mag worden gebouwd op grond van een voor dat tijdstip aangevraagde vergunning. Ingevolge dit artikel wordt verder onder bouwperceel verstaan: een aaneengesloten stuk grond, waarop volgens het plan zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is opgenomen.

Ingevolge artikel 0.5, tweede lid, van de planvoorschriften worden gronden welke al eerder zijn aangemerkt als bouwperceel, bij het verlenen van een bouwvergunning of het toestaan van een meldingsplichtig bouwwerk, of gronden welke aangemerkt moeten worden als een bouwperceel bij bestaande bebouwing, bij de boordeling van latere bouwplannen aangemerkt als bouwperceel behorende bij die bebouwing,

Ingevolge artikel 3.2.0 van de planvoorschriften, voorzover thans van belang, kan voor vergroting van woningen/bijgebouwen vrijstelling worden verleend van het bepaalde in artikel 2.4, met inachtname van onder ander artikel 3.2.10. van de planvoorschriften.

Ingevolge artikel 3.2.10 van de planvoorschriften, voorzover thans van belang, gelden bij het verlenen van vrijstelling voor vergroting van de inhoud van de woning en/of de oppervlakte aan bijgebouwen, de volgende voorwaarden:

- voorzover de oppervlakte van (voormalige) bedrijfsgebouwen of

bijgebouwen de voorgeschreven 75 m2 aan bijgebouwen bij woningen te

boven gaat mogen deze, tot maximaal 10% van die overmaat (uitgedrukt

in m2 en met inachtname van hierna genoemde maxima), eenmalig

vervangen worden door nieuwe bebouwing in de vorm van extra

vergroting van de woning (uitgedrukt in m2 woonlaag) en/of vergroting van

de bijgebouwen (uitgedrukt in m2);

- de woning mag worden vergroot tot niet meer dan 900 m3;

- als er sprake is van een (woon)boerderij mag de inhoud van het bestaande

hoofdgebouw van de boerderij niet worden vergroot en mag uitsluitend de

oppervlakte aan bijgebouwen worden vergroot, zoals hierna aangegeven;

- de oppervlakte aan bijgebouwen mag worden vergroot tot maximaal

150 m2;

- vergroting van de woning en bijgebouwen mag, binnen de grenzen van de

eerst genoemde voorwaarde, met elkaar gecombineerd worden;

- de overige aanwezige bijgebouwen, voor zover die het op grond van

voornoemde punten toegelaten maximum aan bijgebouwen overschrijden,

moeten volledig afgebroken worden.

Ten aanzien van de weigering van bouwvergunning voor de woning (beroep AWB 03/266)

2.3. Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het bouwplan voor de nieuwe woning in strijd is met voormeld artikel 2.4, lid B, aanhef en ten eerste, onder b, van de planvoorschriften.

Dat betoog slaagt. Deze bepaling biedt noch op zichzelf, noch in de context van het gehele artikel 2.4, noch in samenhang met de in artikel 0.3 gegeven omschrijving van het begrip “bestaande bebouwing” beschouwd, aanknopingspunten voor het oordeel dat een bestaande woning niet vervangen mag worden door nieuwbouw met een gelijke (of kleinere) inhoud. In artikel 2.4, lid B, zijn de bebouwingsvoorschriften opgenomen die gelden ten aanzien van de bebouwing die op gronden met de bestemming “woningen” is toegestaan. Daarin wordt de maximum inhoud van woningen te bouwen op percelen waarop zich nog geen woonbebouwing bevindt beperkt tot 500 m3. Dat die beperking – en niet de ruimere mogelijkheden die in dat artikel voor reeds bestaande woningen/woonboerderijen op dit punt zijn neergelegd – echter ook zou gelden ten aanzien van percelen waar bestaande woonbebouwing wordt vervangen door nieuwbouw kan uit die voorschriften niet worden opgemaakt. De verwijzing van het college naar de toelichting op het bestemmingsplan, waaruit zou blijken dat de planwetgever heeft beoogd geen nieuwbouw van meer dan 500 m3 toe te laten, kan niet tot een ander oordeel leiden, nu de planvoorschriften zelf geen aanknopingspunt bieden voor een dergelijke uitleg.

In aanmerking genomen dat vaststaat dat de inhoud van het bouwplan voor de nieuwe woning kleiner is dan van de te vervangen, bestaande woning heeft het college de daarvoor gevraagde bouwvergunning ten onrechte geweigerd wegens strijd met meervermelde bepaling. De rechtbank heeft dat miskend.

2.4. Het hoger beroep slaagt in zoverre en de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd, voorzover het beroep tegen het besluit tot handhaving van de weigering bouwvergunning te verlenen voor de woning ongegrond is verklaard. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling in zoverre dat beroep alsnog gegrond verklaren en het betrokken besluit alsnog vernietigen. De afwijzing door de rechtbank van het verzoek om schadevergoeding op de voet van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht berust niet op juiste gronden. Nu het college opnieuw op de door appellant tegen het desbetreffende besluit van 21 oktober 2002 ingestelde bezwaren dient te beslissen, en de uitkomst daarvan nog niet vaststaat, dient om die reden het verzoek te worden afgewezen. De gronden waarop de aangevallen uitspraak rust, dienen in zoverre te worden verbeterd.

Ten aanzien van de weigering van bouwvergunning voor de bijgebouwen (beroep Awb 03/267)

2.5. Het geschil van partijen ten aanzien van de bijgebouwen spitst zich toe op de vraag of de rechtbank terecht bij de beoordeling van de gehandhaafde weigering van de bouwvergunning daarvoor heeft betrokken het bijgebouw van 50 m2 op het kadastraal afgesplitste perceel [locatie], waardoor de realisering van het bouwplan zou leiden tot een groter oppervlakte aan bijgebouwen dan de op grond van het bestemmingsplan maximaal mogelijke 150 m2 bij het hoofdgebouw.

2.6. De door appellant aangevoerde stelling dat hij op dit punt door het maken van bezwaar in een slechtere positie (‘reformatio in peius’) is geraakt, heeft de rechtbank terecht en op juiste gronden verworpen.

2.7. De rechtbank heeft verder met juistheid geoordeeld dat de kadastrale afsplitsing en de daarmee samenhangende gewijzigde eigendomsverhouding niet tot gevolg heeft dat het betrokken bijgebouw voor de boordeling van het bouwplan buiten beschouwing dient te blijven. Uit artikel 0.5, tweede lid, van de planvoorschriften volgt dat het afgesplitste perceelsgedeelte en het zich daarop bevindende bijgebouw van 50 m2 moeten worden toegerekend aan het bouwperceel waarop de bestaande woonboerderij, ten behoeve waarvan dit bijgebouw indertijd is opgericht, zich bevindt. Het enkele feit dat meergenoemd perceelsgedeelte in andere handen is overgegaan en het bijgebouw thans ten dienste staat aan een aldaar gelegen noodwoning, kan aan het voorgaande niet afdoen.

Daarvan uitgaande leidt de realisering van het bouwplan tot een grotere oppervlakte aan bijgebouwen dan de op grond van het bestemmingsplan mogelijke 150 m2, zodat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de bouwvergunning wegens strijd met het bestemmingsplan moet worden geweigerd.

2.8. Uit het bovenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak in zoverre moet worden bevestigd.

2.9. Het college dient op de navolgende wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Daarbij wordt overwogen dat de bij appellant opgekomen kosten van het inschakelen van de deskundige drs. M.A.J. Snijders-De Valk, begroot op € 80,00, voor vergoeding in aanmerking komen, omdat het niet onredelijk was die kosten te maken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep van appellant gegrond, voorzover het ziet op het ongegrond verklaren van het beroep gericht tegen de beslissing op bezwaar van 23 januari 2003, in zoverre het college daarbij de weigering van de bouwvergunning tot het oprichten van de woning heeft gehandhaafd;

II. vernietigt in zoverre de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 22 mei 2003 (AWB 03/266);

III. verklaart het tegen het besluit van 23 januari 2003 door appellant bij de rechtbank ingestelde beroep, voorzover gericht tegen de handhaving van de weigering van de bouwvergunning tot het oprichten van de woning, alsnog gegrond;

IV. vernietigt dat besluit, bekend onder kenmerk ro/dl 02-1018, in zoverre;

V. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Someren in de door appellant in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1.368,00, waarvan

€ 1.288,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door gemeente Someren te worden betaald aan appellant;

VII. gelast dat gemeente Someren aan appellant de door hem voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierechten (€ 109,00 en € 175,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. W.D.M. van Diepenbeek, Leden, in tegenwoordigheid van mr. D. Haan, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Haan

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2004

27-397.