Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO4354

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-02-2004
Datum publicatie
26-02-2004
Zaaknummer
200303274/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 september 2002 heeft de gemeenteraad van Roermond, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 27 augustus 2002, het bestemmingsplan "Rijksweg 73-zuid – noordelijk deel" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200303274/1.

Datum uitspraak: 25 februari 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de vereniging "Werkgroep Aorta", gevestigd te Roermond,

appellante,

en

het college van gedeputeerde staten van Limburg,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 september 2002 heeft de gemeenteraad van Roermond, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 27 augustus 2002, het bestemmingsplan "Rijksweg 73-zuid – noordelijk deel" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 22 april 2003, kenmerk 2002/17828, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 21 mei 2003, bij de Raad van State ingekomen op 28 mei 2003, beroep ingesteld.

Bij brief van 15 september 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht (hierna: het deskundigenbericht) uitgebracht, gedateerd 25 november 2003. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 februari 2004, waar appellante, vertegenwoordigd door ing. W.H.M. Tegels, en verweerder, vertegenwoordigd door prof. mr. N.S.J. Koeman, advocaat te Amsterdam, H.J.M. Achten en mr. R. Th. B. Drummen, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord de gemeenteraad, vertegenwoordigd door E.H.J. Pietermans en ing. G.P. Rutten, beiden ambtenaar van de gemeente Roermond. Verder is Rijkswaterstaat, directie Limburg, vertegenwoordigd door mr. drs. P.C.A.M. Tanis, drs. Weijsters en ir. J.P.M.G. Janssen, verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.2. Het bestemmingsplan voorziet onder meer in de aanleg van Rijksweg 73-zuid op de oostoever van de Maas, voor zover gelegen in de gemeente Roermond. Het tracédeel dat met dit plan wordt geregeld vormt een onderdeel van de autosnelwegverbinding die Rijkswaterstaat tussen Venlo en St. Joost wil realiseren. Bovendien voorziet het plan onder meer in een ontsluiting van het dorp Asenray en de buurtschappen Spik, Straat, Thuserhof en Maalbroek.

Verweerder heeft het plan bij het bestreden besluit grotendeels goedgekeurd.

2.3. Appellante stelt zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de plandelen die voorzien in de ontsluiting van het dorp Asenray en de buurtschappen Spik, Straat, Thuserhof en Maalbroek.

Zij heeft hiertoe aangevoerd dat er onvoldoende overleg heeft plaats gehad, dat er een beter alternatief voorhanden is, dat het onderzoek naar de verschillende ontsluitingsmogelijkheden naar haar mening onzorgvuldig is verricht en dat de randvoorwaarden waaronder de ontsluiting plaats moet vinden steeds zijn gewijzigd. Bovendien is zij van mening dat in het plan niet had mogen worden afgeweken van de in het voorontwerp opgenomen ontsluitingsvariant.

2.4. De gemeenteraad heeft zich op het standpunt gesteld dat na de vaststelling van het voorontwerp gebleken is dat de daarin opgenomen variant niet in overeenstemming was met het Provinciale Omgevingsplan Limburg (hierna: het POL). Derhalve is die variant niet overgenomen in het ontwerpplan en het vastgestelde bestemmingsplan. De gemeenteraad is voorts van mening dat het onderzoek naar de andere ontsluitingsmogelijkheden, waaronder ook de door appellante ingebrachte variant (hierna: de Aorta-variant), zorgvuldig zijn verricht. Uiteindelijk is echter niet gekozen voor de Aorta-variant, maar voor de Spik-Noord-variant. Een van de redenen daarvoor is dat de kosten van Spik-Noord-variant lager zijn dan van de Aorta-variant, aldus de gemeenteraad.

2.5. Verweerder heeft zich aangesloten bij het standpunt van de gemeenteraad. Hij heeft geen reden gezien het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft het goedgekeurd.

2.6. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat een aantal onderzoeken is uitgevoerd naar ontsluitingsmogelijkheden van het dorp Asenray en de buurtschappen Spik, Straat, Thuserhof en Maalbroek. Het betreft de onderzoeken “Uitwerking alternatieven D1 en E” (Arcadis Heidemij Advies BV, 110503/ZC9/051/000074, 9 december 1999) en “Ontsluiting Spik en Straat” (Grontmij Advies&Techniek BV, P.N.32.0317.1).

Naar aanleiding van het eerst genoemde onderzoek (hierna: het Arcadis onderzoek) heeft de gemeenteraad, onder voorwaarden en in overeenstemming met appellante in het voorontwerp gekozen voor ontsluitingsvariant E.

Op 25 oktober 2000 heeft de Provinciale Commissie Gemeentelijke Plannen ten aanzien van deze variant negatief geadviseerd, omdat de met het voorontwerpplan voorgestelde ontsluitingsweg via het waardevolle gebied van de Oude Leijgraaf, welke deel uit maakt van de Provinciaal Ecologische Structuur (hierna: de PES), niet aanvaardbaar is. Vervolgens heeft de gemeenteraad op basis van het als tweede genoemde onderzoek (hierna: het Grontmij onderzoek) in het ontwerpplan en het vastgestelde bestemmingsplan gekozen voor de Spik-Noord-variant (in het Grontmij onderzoek wordt deze “Spik-midden variant (C)” genoemd).

2.6.1. Met betrekking tot hetgeen appellante heeft gesteld omtrent de gevolgde inspraakprocedure overweegt de Afdeling allereerst dat de gemeenteraad, in navolging van het college van burgemeester en wethouders, bij de vaststelling van een bestemmingsplan kan afwijken van het voorontwerp. Slechts indien de afwijkingen van het voorontwerp naar aard en omvang zo groot zijn dat sprake is van een ander plan, dient de wettelijke procedure, met inbegrip van de inspraak, opnieuw doorlopen te worden. Deze situatie doet zich in dit geval niet voor.

Bovendien is uit de stukken en het verhandelde ter zitting gebleken dat appellante voldoende betrokken is geweest in het overleg over de verschillende ontsluitingsvarianten. Appellante heeft daarbij een eigen variant, de Aorta-variant, aangedragen.

2.6.2. Voorzover appellante van mening is dat de kostengegevens en de verkeersintensiteiten in bovengenoemde onderzoeken onjuist zijn en dat de gemeenteraad steeds wisselende randvoorwaarden heeft gesteld bij de verschillende onderzoeken naar de ontsluitingsmogelijkheden, overweegt de Afdeling het volgende. Appellante heeft geen tegenonderzoek ingebracht en heeft ook anderszins niet aangetoond dat de kostengegevens en verkeersintensiteiten onjuist zijn. Voorts acht de Afdeling het standpunt van verweerder dat de randvoorwaarden waaronder de ontsluiting plaats moet vinden in de loop der tijd niet gewijzigd zijn, maar uitgewerkt, niet onjuist. Gelet hierop heeft appellante, naar het oordeel van de Afdeling, niet aannemelijk gemaakt dat de hiervoor genoemde onderzoeken zodanige gebreken vertonen dat verweerder zich hierop bij het nemen van het bestreden besluit niet had mogen baseren.

2.6.3. Met betrekking tot het standpunt van appellante dat er een beter alternatief voorhanden is, overweegt de Afdeling dat het bestaan van alternatieven op zichzelf geen grond kan vormen voor het onthouden van goedkeuring aan het bestemmingsplan. Het karakter van de besluitvorming omtrent de goedkeuring brengt immers mee dat alternatieven daarbij in beginsel eerst aan de orde behoeven te komen indien blijkt van ernstige bezwaren tegen het voorgestane gebruik waarop het plan ziet. Gezien het voorgaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze situatie zich in dit geval niet voordoet.

2.7. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

Het beroep is ongegrond.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R. Cleton, Voorzitter, en dr. J.J.C. Voorhoeve en mr. P.A. Offers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van Staat.

w.g. Cleton w.g. Broekman

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2004

12-449.