Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO4342

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-02-2004
Datum publicatie
26-02-2004
Zaaknummer
200302710/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 juli 1999 heeft de gemeenteraad van Nuth, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 24 juni 1999, het bestemmingsplan "Schimmert" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Algemene wet bestuursrecht 10:27
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 4a
Wet op de Ruimtelijke Ordening 24
Wet op de Ruimtelijke Ordening 28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Gst. 2004, 105 met annotatie van A.A.J. de Gier
JOM 2008/173
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200302710/1.

Datum uitspraak: 25 februari 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellante sub 2], wonend te [woonplaats],

3. [appellant sub 3], wonend te [woonplaats]t,

4. [appellante sub 4], wonend te [woonplaats],

5. het college van burgemeester en wethouders van Nuth,

6. [appellanten sub 6], wonend te [woonplaats],

7. [appellant sub 7], wonend te [woonplaats],

8. [appellanten sub 8], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Limburg,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 juli 1999 heeft de gemeenteraad van Nuth, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 24 juni 1999, het bestemmingsplan "Schimmert" vastgesteld.

Bij besluit van 22 februari 2000, kenmerk 2000/6127M, heeft verweerder beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Bij haar uitspraak van 31 juli 2002, inzake no. 200001848/1, heeft de Afdeling het besluit van verweerder gedeeltelijk vernietigd.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 25 februari 2003, kenmerk 2003/7754, opnieuw beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellanten beroep ingesteld.

Bij brief van 4 november 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van [partij]. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 januari 2004, waar appellanten in persoon zijn verschenen en/of zich hebben doen vertegenwoordigen. [appellant sub 3] is echter niet verschenen. Verder is verweerder verschenen, vertegenwoordigd door mr. B.J. Bomhoff, ambtenaar van de provincie.

Voorts zijn daar de gemeenteraad van Nuth, vertegenwoordigd door mr. C.P.M. Thevis, ambtenaar van de gemeente, en [partij] gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Op 3 april 2000 zijn in werking getreden de Wet tot wijziging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening van 1 juli 1999 (Stb. 302) en het Besluit tot wijziging van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 van 15 oktober 1999 (Stb. 447).

Uit artikel VI, tweede lid, van genoemde wet volgt dat dit geschil, nu het ontwerp van het plan ter inzage is gelegd vóór 3 april 2000, moet worden beoordeeld aan de hand van het vóór die datum geldende recht.

2.2. Het plangebied betreft het bebouwde gebied van de kern Schimmert, bestaande uit de gebieden Op de Bies, Oensel, Kruis, Schimmert, Klein Haasdal en Groot Haasdal. Het plan voorziet in een juridisch-planologisch kader voor het bebouwde gebied en dient ter vervanging van diverse bestemmingsplannen.

2.3. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.4. Appellanten kunnen zich er niet mee verenigen dat verweerder bij zijn bestreden besluit opnieuw goedkeuring heeft onthouden aan de bestemming "Woondoeleinden uit te werken – Uw" van een aantal percelen, gelegen aan de Kleverstraat, De Bockhofweg, Kruisstraat, Klein Haasdal, Trichterstraat, Langstraat, Oensel en Haagstraat, zoals nader op de plankaart met rode omlijning is aangegeven.

2.5. Verweerder heeft zich bij de onthouding van goedkeuring aan de betrokken plandelen op het standpunt gesteld dat de daaraan toegekende bestemming niet in overeenstemming is met het Streekplan Zuid-Limburg 1987.

2.6. Over de plandelen waaraan verweerder bij het thans bestreden besluit opnieuw goedkeuring heeft onthouden, heeft de Afdeling in haar uitspraak van 31 juli 2002 het volgende overwogen:

“2.4.4. Op 17 december 1999 hebben provinciale staten van Limburg de streekplanherziening vastgesteld.

Vaststaat dat de vastgestelde streekplanherziening eerst op 3 maart 2000 bekend is gemaakt door middel van terinzagelegging.

Gelet op artikel 3:40 van de Algemene wet bestuursrecht was ten tijde van het bestreden besluit de streekplanherziening nog niet in werking getreden.

In verband met het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat verweerders het plan hadden moeten toetsen aan het op dat moment geldende Streekplan Zuid-Limburg.

Nu verweerders hun onthouding van goedkeuring hebben gebaseerd op de destijds nog niet in werking getreden streekplanherziening hebben verweerders gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht.

Het beroep van appellant sub 1, voor zover gericht tegen de onthouding van goedkeuring aan de bestemming "Woondoeleinden" van een aantal percelen, alsmede de beroepen van appellant sub 2 tot en met appellant sub 10 zijn mitsdien gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.”

2.7. Anders dan verweerder ter zitting heeft gesteld, volgt uit overweging 2.4.4. van de uitspraak van 31 juli 2002 niet dat hij bij zijn nieuw te nemen besluit inzake de goedkeuring van de betrokken plandelen het Streekplan Zuid-Limburg diende te betrekken. Besluiten omtrent goedkeuring van een bestemmingsplan dienen te worden genomen met inachtneming van het recht zoals dat geldt ten tijde van het nemen van dat besluit (de zogeheten toetsing ‘ex nunc’). Op dezelfde wijze dient een college van gedeputeerde staten rekening te houden met het beleid dat op het moment van besluitvorming van toepassing is. Deze wijze van toetsing geldt evenzeer voor heroverwegingsbesluiten die moeten worden genomen nadat de Afdeling een eerder besluit omtrent goedkeuring heeft vernietigd.

2.7.1. Op 29 juni 2001 hebben provinciale staten van Limburg het Provinciaal Omgevingsplan Limburg (hierna: het POL) vastgesteld.

Het POL is bekend gemaakt op 22 november 2001.

Het POL vormt naar het oordeel van de Afdeling een integrale herziening van de voordien geldende streekplannen, streekplanherzieningen en streekplanuitwerkingen die daardoor zijn vervallen, behalve voorzover het betreft de streekplanherzieningen “Partiële streekplanherziening Openruimte- en Bufferzonebeleid Zuid-Limburg" en “Nedcar en omgeving” die als zogenoemde POL-aanvullingen zijn gehandhaafd.

2.7.2. Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat verweerder bij het nemen van het thans bestreden besluit het streekplanbeleid zoals dat in het POL met inbegrip van de twee POL-aanvullingen is vervat, als uitgangspunt had moeten nemen.

Nu verweerder zijn onthouding van goedkeuring heeft gebaseerd op een ten tijde van het nemen van het bestreden besluit vervallen streekplan, heeft hij wederom gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht.

De beroepen zijn mitsdien gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

2.8. Verweerder dient als gevolg van deze uitspraak opnieuw een besluit omtrent de goedkeuring van de betrokken plandelen te nemen. Ten behoeve van die besluitvorming overweegt de Afdeling het volgende.

2.8.1. Uit hetgeen onder 2.7. is overwogen, volgt dat verweerder bij het besluit omtrent goedkeuring rekening dient te houden met het toepasselijke provinciale beleid zoals dat luidt op het moment waarop verweerder zijn heroverwegingsbesluit neemt. Het Streekplan Zuid-Limburg behoort niet tot dat toepasselijke beleid omdat daaraan geen betekenis meer toekomt sinds de inwerkingtreding van het besluit tot vaststelling van het POL.

Dit geldt niet voor de voor de “Partiële streekplanherziening Openruimte- en Bufferzonebeleid Zuid-Limburg" (hierna: de streekplanherziening). Deze streekplanherziening is na haar vaststelling deel gaan uitmaken van het Streekplan Zuid-Limburg, maar tevens, zoals hiervoor reeds is overwogen, later in het POL opgenomen. Als zodanig valt zij onder het voor het POL geldende rechtsregiem.

2.8.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 17 juli 2002 in zaak no. 200001555/1 (www.raadvanstate.nl) dient de vaststelling van de in de streekplanherziening opgenomen bebouwingscontouren te worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 4a, zevende lid, van de WRO, zoals deze bepaling luidde op het moment van de vaststelling van de streekplanherziening, in samenhang met artikel 1:3 van de Awb.

2.8.3. Het POL is vastgesteld op 29 juni 2001, na de inwerkingtreding van de Wet tot wijziging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening van 1 juli 1999 (Stb. 302) per 3 april 2000. De WRO zoals deze sindsdien luidt, voorziet in de mogelijkheid aan in streekplannen opgenomen besluiten de status van concrete beleidsbeslissing toe te kennen. Deze concrete beleidsbeslissingen dienen ingevolge artikel 4a, eerste lid, van de WRO in acht te worden genomen bij de vaststelling van een gemeentelijk bestemmingsplan. Voorzover een deel van een (ontwerp)bestemmingsplan zijn grondslag vindt in een concrete beleidsbeslissing, kunnen op grond van artikel 24 van de WRO daartegen geen zienswijzen en bedenkingen worden ingediend.

2.8.4. Naar verweerder ter zitting heeft verklaard, hebben provinciale staten de bebouwingscontouren zonder nadere heroverweging integraal overgenomen in het POL. Provinciale staten hebben aan de contouren niet de status van concrete beleidsbeslissing toegekend. Omdat de streekplanherziening geen zelfstandige betekenis meer toekomt, is aan de contouren eveneens het karakter van besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb ontvallen. Hieruit volgt dat de contouren geen bindende status meer hebben maar moeten worden aangemerkt als regulier streekplanbeleid.

2.8.5. Al het voorgaande brengt voor verweerder mee dat hij bij zijn besluitvorming omtrent de goedkeuring van de betrokken plandelen rekening dient te houden met het in het POL neergelegde contourenbeleid. Dit is slechts anders indien en voorzover ten tijde van het nieuw te nemen besluit een besluit tot vaststelling van nieuw streekplanbeleid voor dit onderwerp in werking is getreden.

Bij zijn beoordeling dient verweerder alle relevante belangen, feiten en omstandigheden te betrekken. Daarnaast dient hij per individueel geval na te gaan of zich bijzondere omstandigheden voordoen die vergen dat in dat concrete geval van het beleid wordt afgeweken.

De Afdeling wijst erop dat de belangenafweging die verweerder indertijd aan de streekplanherziening ten grondslag heeft gelegd, mede gelet op het tijdsverloop, niet als de hiervoor beschreven afweging kan worden aangemerkt.

2.9. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van [appellant sub 3] en het college van burgemeester en wethouders van Nuth is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Limburg van 25 februari 2003, kenmerk 2003/7754;

III. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Limburg in de door de hierna vermelde appellanten in verband met de behandeling van de beroepen gemaakte proceskosten. Deze bedragen dienen door de provincie Limburg te worden betaald aan:

1. [appellant sub 1] € 322,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

2. [appellante sub 2] € 56,37;

3. [appellante sub 4] € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

4. [appellanten sub 6] € 699,07, waarvan € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

5. [appellant sub 7] € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

6. [appellanten sub 8] € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IV. gelast dat de provincie Limburg aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 116,00 voor [appellant sub 1], € 116,00 voor [appellante sub 2], € 116,00 voor [appellant sub 3], € 116,00 voor [appellante sub 4], € 232,00 voor het college van burgemeester en wethouders van Nuth, € 116,00 voor [appellanten sub 6], € 116,00 voor [appellant sub 7] en € 116,00 voor [appellanten sub 8]) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, Voorzitter, en mr. R.H. Lauwaars en mr. A. Kosto, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, ambtenaar van Staat.

w.g. Hoekstra w.g. Bindels

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2004

85-400.