Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO4001

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-02-2004
Datum publicatie
18-02-2004
Zaaknummer
200305753/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 december 2002 heeft de gemeenteraad van Bemmel, thans Lingewaard, op voorstel van burgemeester en wethouders van 3 december 2002, het bestemmingsplan "Partiële herziening Buitengebied Huissen, glastuinbouwbedrijf aan de Hogewoerd" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Besluit glastuinbouw
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2004/4424
Milieurecht Totaal 2004/2329
JOM 2006/1040
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200305753/1.

Datum uitspraak: 18 februari 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Huissen,

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 december 2002 heeft de gemeenteraad van Bemmel, thans Lingewaard, op voorstel van burgemeester en wethouders van 3 december 2002, het bestemmingsplan "Partiële herziening Buitengebied Huissen, glastuinbouwbedrijf aan de Hogewoerd" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 15 juli 2003, kenmerk RE2003.3633, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 27 augustus 2003, bij de Raad van State ingekomen op 28 augustus 2003, beroep ingesteld.

Bij brief van 30 oktober 2003 heeft verweerder meegedeeld dat het beroepschrift geen aanleiding geeft tot het maken van opmerkingen.

De Afdeling heeft de zaak op de zitting behandeld op 16 januari 2004, waar appellant, in persoon en bijgestaan door mr. H.E. Davelaar, advocaat te Zwolle, en verweerder, vertegenwoordigd door H. Wassink, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.

Voorts zijn gehoord de gemeenteraad, vertegenwoordigd door J.W. Vogel en

drs. M.P. Zee, ambtenaren van de gemeente, en [belanghebbende]

vertegenwoordigd door mr. D.A.J.M. Melchers, advocaat te Arnhem.

2. Overwegingen

2.1. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.2. Het plan voorziet in de uitbreiding van een glastuinbouwbedrijf ten noorden van de Hogewoerd. Ten zuiden van de Hogewoerd is het glastuinbouwbedrijf van [belanghebbende] gevestigd.

Een gedeelte van het plangebied is reeds zonder rechtsgeldige bouwvergunning bebouwd met een kas en een sorteerruimte.

De planherziening dient mede ter legalisering van deze illegale bebouwing.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het plan goedgekeurd.

2.3. Appellant stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan, aangezien het plangebied buiten het aangrenzende gebied van bestemmingsplan “Bergerden” valt, maar het planologische regime van dat plan wel van toepassing is verklaard op het bestreden plan.

Daarnaast betwist hij de haalbaarheid van het plan omdat niet wordt voldaan aan de volgens hem op grond van het Besluit tuinbouwbedrijven met bedekte teelt milieubeheer (verder: het besluit) in acht te nemen afstand van 25 meter tussen het bedrijf en een woning van derden. Voorts is hij van mening dat kassen in de omgeving van een veehouderij niet passen omdat deze kunnen worden aangemerkt als stankgevoelig object en bovendien de in de kassen geteelde planten door ammoniakuitstoot kunnen worden aangetast. Hierom meent appellant dat, gelet op de hem vergunde 770 mestvarkeneenheden en de brochure Veehouderij en Hinderwet 1985 (verder: de brochure), een afstand van minimaal 70 meter tussen de kassen en de veehouderij in acht moet worden genomen.

2.4. Verweerder heeft geen reden gezien het plan in strijd te achten met een goede ruimtelijke ordening en heeft het plan goedgekeurd. Hij stelt dat de gemeenteraad een grote mate van beleidsvrijheid bij het bepalen van de begrenzingen van het bestemmingsplan toekomt. Met de gemeenteraad stelt hij zich op het standpunt dat sprake zal zijn van een uitbreiding van het bestaande glastuinbouwbedrijf en dat het besluit van toepassing is, nu wordt voldaan aan de hierin gestelde minimale afstand van 10 meter tussen een glastuinbouwbedrijf en een woning van derden. Voorts is verweerder van mening dat een tuinbouwkas geen gevoelig object is volgens de brochure. Verder stelt hij dat aan de volgens het rapport “Stallucht en Planten” in acht te nemen afstand van 25 meter tussen varkenshouderijen en tuinbouwgewassen ruimschoots wordt voldaan.

2.5. Gelet op de systematiek van de Wet op de Ruimtelijke Ordening komt de gemeenteraad in beginsel een grote mate van beleidsvrijheid toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan.

Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de gemeenteraad een begrenzing kan vaststellen die in strijd met een goede ruimtelijke ordening moet worden geoordeeld of anderszins in strijd met het recht.

Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting is de Afdeling van oordeel dat in dit geval verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en dat hij deze ook overigens terecht heeft goedgekeurd.

De keuze voor een bepaald planologisch regime hangt eveneens samen met deze eerdergenoemde beleidsvrijheid. Het van toepassing verklaren van het planologische regime van het bestemmingsplan “Bergerden” op het bestreden plan acht de Afdeling niet onredelijk, nu het plangebied “Bergerden” in de directe nabijheid ligt en eveneens voorziet in de vestiging van glastuinbouwbedrijven.

2.6. Het besluit is met ingang van 1 april 2002 ingetrokken en vervangen door het Besluit glastuinbouw (Stb. 2002, 109).

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat [belanghebbende] zijn glastuinbouwbedrijf voor 1 mei 1996 heeft opgericht.

In artikel 2, aanhef en onder b, van het Besluit glastuinbouw is bepaald welke glastuinbouwbedrijven een glastuinbouwbedrijf type A vormen, waarvoor de verboden bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer blijven bestaan. Onder 20°, voorzover hier van belang, is bepaald dat die glastuinbouwbedrijven die vóór 1 mei 1996 zijn opgericht, met inbegrip van eventuele uitbreidingen na dat tijdstip, en zijn gelegen op een afstand van minder dan 10 meter van een object categorie II, zijn te beschouwen als glastuinbouwbedrijven type A en dat glastuinbouwbedrijven niet zijnde type A, glastuinbouwbedrijf type B zijn.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de afstand van een gebouw van de inrichting van [belanghebbende] tot een woning van derden - een object categorie II - 19,5 meter bedraagt.

Uit het vorenstaande volgt dat genoemd bedrijf van [belanghebbende] een glastuinbouwbedrijf type B is, waarvoor de voorschriften van het Besluit glastuinbouw gelden.

In artikel 1, vierde lid, van het besluit, voorzover hier van belang, was een bepaling met dezelfde afstanden opgenomen.

Nu genoemde besluiten, voor zover hier van belang, met elkaar overeenkomen en gelet op het voorgaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat in dit geval uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening kan worden uitgegaan van een in acht te nemen afstand van 10 meter tussen woningen van derden en het glastuinbouwbedrijf van [belanghebbende] . Nu aan deze afstandseis wordt voldaan, heeft verweerder in redelijkheid van de uitvoerbaarheid van het plan kunnen uitgaan.

2.7. Zoals de Afdeling in haar uitspraak van 13 december 1995,

no. G05.93.2941 (aangehecht), heeft overwogen, dient in gevallen als deze als uitgangspunt te gelden dat bescherming tegen stankhinder moet worden geboden ten behoeve van het wonen. Onder omstandigheden kunnen bedrijfsruimten worden aangemerkt als stankgevoelig bijvoorbeeld indien daarin sprake is van met wonen gelijk te stellen verblijf.

Ten aanzien van het werken in de kassen is uit de stukken en het verhandelde ter zitting gebleken dat bij de komkommerteelt die in het bedrijf van [belanghebbende] plaats vindt, veel van de werkzaamheden niet in de kassen plaatsvinden maar in de sorteerruimte, op een afstand van meer dan 300 meter van het bedrijf van appellant.

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan kan worden aangenomen dat sprake is van met wonen gelijk te stellen verblijf in de in het plan voorziene kassen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat in dit geval aanleiding bestaat om de kassen aan te merken als stankgevoelige objecten als bedoeld in de brochure.

Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de kassen geen te beschermen stankgevoelige objecten zijn, als hiervoor bedoeld.

Niet in geschil is dat de kleinste afstand tussen het bouwperceel van appellant en de aanduiding “zone kassen” op de plankaart 50 meter bedraagt. Deze afstand is, zoals verweerder in zijn bestreden besluit heeft overwogen, in overeenstemming met de in het rapport “Stallucht en Planten” van juli 1981 van het Instituut voor Plantenziektekundig Onderzoek aanbevolen afstand van minimaal 25 meter tussen tuinbouwgewassen en varkensstallen. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat verweerder dit rapport ten onrechte bij het nemen van het bestreden besluit heeft betrokken.

2.8. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

Het beroep is ongegrond.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. A. Kosto, Voorzitter, en dr. J.J.C. Voorhoeve en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van Staat.

w.g. Kosto w.g. Broekman

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2004

12-447.