Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AO3990

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-02-2004
Datum publicatie
18-02-2004
Zaaknummer
200400043/1 en 200400043/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 maart 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Anna Paulowna (hierna: het college) bepaald dat appellant dwangsommen verbeurt indien niet binnen 26 weken de bewoning van de bedrijfsloods op het perceel, plaatselijk bekend [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel), beëindigd is en blijft, hetgeen er op neerkomt dat de woning in de bedrijfsloods wordt afgebroken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200400043/1 en 200400043/2.

Datum uitspraak: 12 februari 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank te Alkmaar van 12 december 2003 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Anna Paulowna.

1. Procesverloop

Bij besluit van 4 maart 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Anna Paulowna (hierna: het college) bepaald dat appellant dwangsommen verbeurt indien niet binnen 26 weken de bewoning van de bedrijfsloods op het perceel, plaatselijk bekend [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel), beëindigd is en blijft, hetgeen er op neerkomt dat de woning in de bedrijfsloods wordt afgebroken.

Bij besluit van 2 september 2003 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar, met overneming van een wijzigingsbesluit van 26 augustus 2003, ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 oktober 2003, verzonden op diezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank te Alkmaar (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard voorzover bij het bestreden besluit is nagelaten opnieuw een begunstigingstermijn te stellen, het bestreden besluit in zoverre vernietigd en bepaald dat het college ter zake een nadere beslissing op bezwaar neemt.

Bij besluit van 23 oktober 2003 heeft het college opnieuw op het bezwaar beslist en dit ongegrond verklaard. Daarbij heeft het college de begunstigingstermijn van de last onder dwangsom bepaald op 6 weken na het nemen van dit besluit.

Bij uitspraak van 12 december 2003, verzonden op 19 december 2003, heeft de voorzieningenrechter het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellantbij brief van 27 december 2003, bij de Raad van State ingekomen op 30 december 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 6 januari 2004, bij de Raad van State ingekomen op 9 januari 2004, heeft appellant de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Bij brief van 16 januari 2004 heeft het college van antwoord gediend.

De Voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 januari 2004, waar appellant in persoon en het college, vertegenwoordigd door mr. R. Bergman, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het hoger beroep is gericht tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 december 2003 inzake de beslissing op bezwaar van 23 oktober 2003, waarbij een nieuwe begunstigingstermijn is gesteld voor de bij besluit van 2 september 2003 gehandhaafde last onder dwangsom, die bij besluit van 4 maart 2003 is opgelegd. Gelet hierop valt hetgeen appellant aanvoert tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 oktober 2003 buiten de grenzen van het aan de orde zijnde geschil, zodat het buiten bespreking wordt gelaten.

2.2. Appellant betoogt tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat het college ingevolge artikel 7:9 van de Algemene wet bestuursrecht, gehouden was voorafgaand aan de bestreden beslissing op bezwaar opnieuw een hoorzitting te houden. Niet kan worden staande gehouden dat de bouwaanvraag van 3 oktober 2003 voor een bedrijfswoning op het perceel, van aanmerkelijk belang is voor de op het bezwaar te nemen beslissing inzake de begunstigingstermijn van de bij besluit van 2 september 2003 opgelegde last onder dwangsom met betrekking tot de bewoning van de bedrijfsloods op het perceel.

2.3. Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid kon besluiten de begunstigingstermijn te bepalen op slechts 6 weken. Appellant meent dat een termijn had moeten worden gesteld waarmee hij en zijn gezin de periode tot bewoning van de nog te bouwen bedrijfswoning op het perceel, kunnen overbruggen. Vanwege in het verleden gedane toezeggingen van het college en de bouwaanvraag van 3 oktober 2003 acht appellant het aannemelijk dat voor deze bedrijfswoning binnenkort vergunning kan worden verleend waarna deze kan worden opgericht, zodat de illegale situatie spoedig kan worden beëindigd.

2.3.1. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat niet kan worden staande gehouden dat het college bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot een begunstigingstermijn van 6 weken. Immers is niet is gebleken dat appellant de last niet binnen die termijn kan uitvoeren. Anders dan appellant betoogt had de begunstigingstermijn niet moeten worden afgestemd op de periode die hij nodig acht voor het vinden van alternatieve huisvesting, bij voorbeeld door het bouwen van een bedrijfswoning op het perceel. Gelet hierop is hetgeen appellant aanvoert inzake deze bedrijfswoning in deze procedure niet van belang. Het betoog van appellant faalt derhalve.

2.4. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Gelet op het vorenstaande ziet de Voorzitter geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. I. Sluiter, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink w.g. Sluiter

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2004

292.